Nijverdal Objectief

 

Lugubere vondst op de Sallandse Heuvelrug

 

Tientallen keren per jaar “ren” ik over een bergpad met aan beide zijden de hoog oplopende flanken van de Sallandse Heuvelrug.

Het is als het ware een uitgeslepen geul door ѐѐn van de hogere gedeelten van de Nijverdalse berg ongeveer 500 meter ten zuid westen van de parkeerplaats bij het bezoekerscentrum. (aan de overkant waar nu de invalidenparkeerplaats zich bevindt) 

Tijdens een duurloop stop ik nooit om even uit te puffen, maar deze dag maakte ik een uitzondering en midden op het bergpad stopte ik even om bij te komen en om de spieren wat te rekken.

Ik keek wat om me heen en bemerkte toen pas goed hoe hoog de linker bergflank was. Ik klauterde een klein stukje naar boven en opeens zakte ik met mijn linkervoet weg.

 

Mijn enkel deed pijn en mijn voet zat ergens tussen geklemd. De Heidestruiken reikten tot aan mijn kuiten en kon dus niet zien wat de oorzaak was van het vast zitten. Met alle kracht heb ik een grote heidepol waar onder mijn ongelukkige voet zich bevond uit de grond getrokken en zag dat ik vast zat tussen twee vermolmde boomstammen. Wat ik ook probeerde er was geen beweging in te krijgen en mijn voet, inmiddels licht opgezwollen kreeg ik er niet tussen uit.

In dit deel van het bos komen niet erg veel wandelaars omdat de bekende routes hier niet langs leiden. Normaal kom ik tijdens het hardlopen het liefst geen dagtoeristen tegen, maar nu zochten mijn ogen gretig naar een medemens die mij uit deze benarde positie kon bevrijden.

Helaas ik was op mij zelf aangewezen. Ik begon de veters van mijn dure, pas gekochte loopschoenen los te maken omdat de voet voor mijn gevoel dikker en dikker werd.

Inmiddels was de zon ver achter de hoge berg gezakt en het werd al behoorlijk donker.

Lichtelijk in paniek geraakt, ik had geen zin in een onvrijwillige overnachting op de Nijverdalse berg, gaf ik een flinke ruk aan mijn been. Mijn voet schoot uit mijn schoen en ik viel achterover.

 

Verkrampt van de pijn ging ik in het donker op zoek naar mijn schoen. Ik taste de onheilsplek af waar de schoen zich zou moeten bevinden. Tussen de boomstammen waar mijn voet beklemd had gezeten trof ik geen schoen aan. Met mijn hand ging ik tussen de balken wat verder naar beneden en kwam tot de ontdekking dat er zich een holle ruimte onder de balken bevond waar mijn schoen waarschijnlijk was ingevallen.

Om mijn kostbare bezit terug te krijgen stak ik mijn arm zover het kon in de opening maar ik voelde niets dan holle ruimte.

Het begon behoorlijk koud te worden. Het was zeker nog een kilometer naar de parkeerplaats bij het bezoekerscentrum waar mijn auto stond geparkeerd. Met een schoen en een behoorlijke gekwetste enkel was het letterlijk een lijdensweg.

 

De rit naar huis was al evenzo onplezierig. Telkens als ik de koppeling moest intrappen schoot er een hevige pijn door mijn schoenloze voet.

Thuis gekomen heb ik mijn voet in het ijs gepakt en na het vertellen van de gebeurtenissen aan mijn vrouw werd het verlies van de ene schoen vrij snel geaccepteerd. De aanwezigheid van die holle ruimte in de bergflank bleef mij echter bezig houden.

 

De volgende ochtend was de zwelling van mijn voet flink afgenomen en ben met de auto vertrokken naar Limburg waar ik voor mijn werk enkele afspraken had. Tijdens de uren achter het stuur moest ik voortdurend denken aan het voorval van de dag ervoor en het gat waarin, het kon niet anders, mijn schoen terecht was gekomen.

Nieuwsgierigheid en de hoop mijn schoen terug te vinden lagen aan de grondslag van mijn reddingsoperatie.

Op de zaterdagochtend toog ik gewapend met spade en een zaklantaarn naar de plek waar ik enige dagen daarvoor in een zo hachelijke situatie verzeild was geraakt.

Na enig zoeken vond ik de vermolmde boomstammen en nu bij daglicht zag ik een voetbrede spleet met daaronder een duister gat.

Ik scheen met de zaklantaarn naar binnen en zag de bodem van de ruimte ongeveer een meter lager. Met de spade heb ik geprobeerd de spleet wat groter te maken, er kwam enige beweging in de boomstammen, maar veel meer ruimte dan voorheen was er niet. Teleurgesteld maar niet voor een gat te vangen daalde ik een meter naar beneden, bijna ter hoogte van het Bergpad, en begon enkele heidepollen te verwijderen. Met de spade begon ik horizontaal aarde weg te scheppen. De grond was kurkdroog maar door de aanwezige wortels vlotte het niet echt.

Met volle kracht beukte ik de spade door de stugge wortels. Bij de vierde poging was er ineens geen weerstand meer en ik schoot voorover achter mijn spade aan die blijkbaar de holle ruimte had ontdekt.

Er was een opening ontstaan van ongeveer 30 x 20 cm met daarachter een diep donker gat. Door de boomstammen die schijnbaar het dak van de ruimte vormden kreeg ik het vermoeden dat het de ingang van een tunnel of een mijnschacht moest zijn.

Met behulp van spade, handen en voeten heb ik de opening zo groot gemaakt dat ik redelijk makkelijk naar binnen kon. Daar stond ik, lichtelijk nerveus en behoorlijk opgewonden(en omgekeerd) over het feit dat ik een ontdekking had gedaan waar waarschijnlijk geen sterveling het bestaan van wist.

 

Om mijn schoen terug te krijgen zou ik toch naar binnen moeten en nog steeds niet erg op mijn gemak stak ik eerst mijn benen naar binnen. Ik voelde de grond onder mij wegzakken en ik belande een halve meter lager omringd door veel stof en zand op de bodem van de tunnel die zo het leek meters ver Noord Oost onder de heuvel doorliep.

Nadat mijn ogen enigszins aan het schemerlicht gewend waren ontdekte ik vrij snel mijn schoen die ongeveer anderhalve meter verder op lag. Daar aangekomen kon ik in het half donker vrij duidelijk een tunnelconstructie onderscheiden.

Links en rechts verticale palen en het “dak” van de tunnel was een wirwar aan wortels. Het einde van de tunnel was niet waar te nemen.

 

Mijn schoen had ik terug en ik stond voor de keuze, of terug gaan en mijn ontdekking melden bij Staatsbosbeheer of toch iets verder de schacht in te kruipen om te zien hoever deze doorliep.

Ik koos voor het laatste en kroop eerst naar buiten om de zaklantaarn te pakken en ging daarna op mijn knieën de tunnel in.

Links en rechts zover het licht reikte zag ik met nu meer tussen ruimte de rechtop staande palen die het “dak” dragen. Voor mijn gevoel tientallen meters verder kon ik ook boven mij, met een tussen ruimte van een meter, palen waarnemen.

De constructie leek mijn niet al te solide en snel ging ik nog een eind voorwaarts. Toen zag ik dat het einde van de tunnel was bereikt. Waarschijnlijk was de boel hier ingestort. Met mijn rechterhand voelde ik een voorwerp dat aanvoelde als een stuk leer of stof. Aangezien de tijd begon te dringen heb ik niet de moeite genomen het te bekijken en heb het achter mijn T-shirt gestopt. Op dat zelfde moment schrok ik me werkelijk wezenloos. Het licht van mijn zaklantaarn scheen in de holle oogkassen van zo het leek een menselijk schedel. Het lag schuin tegen de berg zand die reikte tot de bovenkant van de tunnel.

Mijn hartklopping voelde ik in mijn hoofd en mijn benen werden slap en op dat moment zag ik in mijn ooghoek iets bewegen. Het licht van mijn zaklamp dat nog steeds was gericht op de schedel richte ik op de plek waar ik de beweging had waar genomen en enkele seconden lang zag ik twee rood oplichtende ogen. Het “ding” nam een sprong en verdween razendsnel achter mij langs in de wand van de tunnel.  

 

In paniek geraakt kroop ik zo snel de omstandigheid het toeliet richting het bevrijdende licht van de uitgang.

Het leek een eeuwigheid voordat ik het daglicht aan het begin van de tunnel had bereikt. Ik klauterde naar buiten en ging met mijn ogen gericht op de ingang van de tunnel gestrekt languit.

Toen ik daar lag kon ik weer wat rustiger denken en het ding dat ik in de tunnel had zien bewegen moest wel een konijn of zoiets geweest zijn.. Maar ja die schedel, dat was andere koek. Het voorwerp dat ik achter mijn T-shirt had gestopt bleek inderdaad een stuk leer te zijn, het had wel iets weg van een vergane buidel.

Ik rende terug naar mijn auto, heb de spade, zaklantaarn en het stuk leer in de kofferbak van mijn auto gegooid en ben direct naar het politiebureau in Nijverdal gereden.

 

Gelukkig was het bureau geopend. Toen ik de dienstdoende agent het onwaarschijnlijke verhaal had verteld werd een surveillancewagen voorgereden.

Vergezeld van drie agenten reden we, nadat ik had uitgelegd waar we moesten zijn, door het bos over wandelpaden naar de ingang van de tunnel. De drie waren verrast over het feit dat er inderdaad een tunnel was en begonnen mij nu toch serieus te nemen.

 

Nadat ik hen had verzekerd dat het geen grap betrof en dat er inderdaad stoffelijke resten, van waarschijnlijk een mens, verderop in de tunnellagen gingen twee agenten de tunnel in.

Het felle licht van een zaklantaarn ging hen voor op weg naar de door mij aangetroffen schedel en wie weet wat ze verder nog zouden aantreffen.

De derde agent en ik bleven buiten en zagen de twee gezagdragers verdwijnen in het duister gewapend met vuilniszak en een spade.

 

Na twintig minuten, het leek wel een uur, zagen we in de donkere tunnel het licht van de zaklantaarn terugkomen. Enkele minuten later konden we de twee agenten onderscheiden, die snel kruipend op ons afkwamen. De voorste zeulde de vuilniszak met zich mee waar waarschijnlijk de schedel en overig gevonden materiaal in zat.

Ze waren ongeveer tien meter verwijderd van de uitgang toen ineens het “dak” van de tunnel instortte. De twee agenten werden bedolven onder een massa zand en van de twee was niets meer te zien dan een berg zand.

De agent naast me die het ook allemaal had zie gebeuren stortte zich naar binnen en tijgert zo snel hij kon naar de plek des onheil.

Het voltrok zich allemaal in een flits en tijd om na te denken had ik niet. Ik ging met het verstand op nul achter de agent aan en aangekomen bij de berg zand waaronder de twee lagen bedolven begonnen we met onze handen snel te graven.

Al na enkele seconden ontdekten we de hand van de voorste agent. Met alle kracht konden we hem uit de berg zand trekken.

Hij was gelukkig nog bij kennis en hij kon op eigen kracht de uitgang bereiken. We gingen snel door met graven. De tweede agent werd ook snel gevonden maar deze gaf echter geen teken van leven, hij had zijn bewustzijn verloren of ……Snel hebben we hem naar buiten gesleurd, bang voor nieuwe inzakkingen.

Buiten werd de man door zijn collega gereanimeerd en voorzien van zuurstof via een beademingsapparaat dat uit de surveillancewagen was gehaald.

Na enkele minuten begon de agent te reageren en snel daarna kon hij weer zelfstandig ademhalen.

Het duurde slechts 10 minuten of de agent was nagenoeg hersteld.

De vuilniszak met restanten (waar het allemaal om begonnen was) lag nog in de tunnel en de agent die nog niet in de tunnel was geweest ging deze zoeken. Vrij snel was hij terug met de buit, de vuilniszak had voor de berg zand gelegen en door het instortingsgevaar had hij geen zin er langer over te doen dan nodig was.

Op het politiebureau terug gekomen werd een procesverbaal opgemaakt. Er was niet alleen een schedel gevonden maar ook botten (beenderen) hadden in de tunnel gelegen.

De twee agenten die waren bedolven onder het zand zijn nog door een arts nagekeken en gelukkig waren beide heren ongedeerd maar wel een onaangename ervaring rijker.

Na een kopje koffie ter afronding ben ik naar huis gereden waar ik het verhaal in geuren en kleuren heb verteld aan mijn vrouw. Ze geloofde er niets van en dacht dat ik weer een van mijn bekende grapjes aan het opvoeren was.

De volgende dag ben ik terug gegaan naar de tunnel. De ingang was bijna niet meer te zien. Staatsbosbeheer of de politie heeft de ingang waarschijnlijk afgesloten om nog meer ongelukken te voorkomen.

Twee dagen later stond er in de regionale kranten een berichtje over mijn ontdekking. Nu was mijn vrouw ook overtuigd.

 

Ik kon het voorval maar niet loslaten en heb me voorgenomen om uit te zoeken hoe en wanneer die tunnel in de berg is ontstaan, van wie waren de stoffelijke resten. Het liet mij niet meer los.

 

Waar zullen we beginnen?

 

Afgelopen? Nee, het begint pas!

 Groeten uit Nijverdal



Deel 2

Lugubere vondst Sallandse Heuvelrug

 

De ontdekking van een tunnel onder de Nijverdalse Berg met daarin het stoffelijke overschot van een mens heeft mij nog steeds in de ban. Na twee maanden kwam er via justitie een kort bericht waarvan ik, als de ontdekker, op de hoogte werd gesteld. Na onderzoek op de gevonden schedel en overige resten was men tot de conclusie gekomen dat de ouderdom werd geschat tussen 200 en 500 jaar oud. Het zou gaan om restanten van een man en daarmee kon ik het doen en werd de zaak gesloten.

Het vod dat ik gevonden had in de tunnel was ik helemaal vergeten en kwam het tegen tijdens het uitruimen van de kofferbak. Nooit meer aan gedacht. Het leek op een vergane leren buidel vol met gaten die ik nu toch maar eens beter heb bekeken. Bij het uit elkaar pluizen trof ik een leren “amulet” aan met daarin een wapen afgebeeld. Het had nu geen zin meer om dit nog te melden bij de politie.

Zou dit misschien een aanwijzing kunnen zijn. Wat moest ik er mee aanvangen. Het wapen afgebeeld leek op een schild verdeeld in vier vlakken en in het midden daarbovenop een kleiner schild. Dit werd omringd door een schakelketting waar onderaan een of ander slap dier hing. Bovenop het schild was nog een kroon waar te nemen en een bladerpartij.

Het leek mij geen afbeelding van lokale oorsprong maar wat wist ik er van. Ik moest de hulp van derden inroepen. Met enkele kopieën van het krantenbericht en het wapenschildje ben ik te rade gegaan bij mijn “oud” geschiedenis leraar J.P. janssen op S.G. Reggesteijn.

Hij kon het wapen niet direct thuis brengen en omdat het gevonden was in een tunnel die onder de Nijverdalse berg doorliep, leek het hem waarschijnlijk dat het een familiewapen betrof uit de naaste omgeving uit een ver verleden. Omdat ik vroeger zijn “beste leerling” was wilde hij zich wel eens verdiepen in de materie. Maar wel een beetje geduld hè voegde hij er met zijn bekende grijns aan toe.

Na vier dagen werd ik door Janssen gebeld. Een collega die hij over de vondst had geïnformeerd was ook geïnteresseerd geraakt in het wapen en had enthousiast meegezocht in diverse geschiedenisboeken. Janssen had zich duidelijk vergist. Het wapen was zeker niet uit de naaste omgeving. Volgens Henk Koster de collega van Janssen was het wapen van DE ORDE VAN HET GULDEN VLIES en het stamde uit de periode 1400-1500.

 

Deze orde was destijds opgericht door Filips de Goede, bewindsman van Bourgondië dat bestond uit delen van Frankrijk, België en Nederland.

 

Ik stond perplex. Snappen deed ik het totaal niet, maar iets binnen in me zei dat dit informatie was dat me verder zou brengen met mijn onderzoek. Het begon tot me door te dringen, een skelet werd gevonden in de tunnel in 1995 en in de buurt van het skelet had ik het wapen gevonden. Beiden stamden ongetwijfeld uit 1400 zoveel en waren afkomstig uit misschien wel Frankrijk of België. Het mysterie werd alleen maar groter.

 

In de Nijverdalse bibliotheek heb ik enkele boeken geraadpleegd over de Orde van het Gulden Vlies en Filips de Goede.

Filips was een van de Hertogen van het Huis Valois-Bourgondie. Bourgondië bestond uit delen van Nederland, België, Luxemburg, Bourgonde en Frana Conté. Filips de Goed was oprichter van de orde van het Gulden Vlies, een ridderorde die de edelen aan Filips bond. Dit speelde zich af in de periode van 1419 tot 1467. Het gevonden wapenschildje was dus minstens 500 jaar oud.

Door het gedoe rondom de tunnel en zakelijke beslommeringen was het een behoorlijke hectische periode.

We besloten om lekker een weekend uit te waaien in Oostende in België.

In Hotel Lido 2000 in Oostende kwamen we dat weekend voor de zesde keer en de Hotel eigenares(Dominique) en haar man Alain zijn inmiddels goede bekenden.

‘s avonds aan de hotelbar wordt er meestal gezellig bijgepraat en interessante gebeurtenissen passeren de revue.

Ik kon het niet laten om het tunnel mysterie met hen te delen.

 

Na het vertellen van het hele verhaal kreeg ik van Alain de tip om in de Koninklijke bibliotheek van Brugge mijn licht op te steken. Uit de boeken die ik gelezen had over dit onderwerp was gebleken dat Brugge de bakermat was van de Orde van het Gulden Vlies.

Brugge ligt slechts op 23 km afstand van Oostende en op de terugreis hebben we een bezoek gebracht aan Brugge. Mijn vrouw en zoon gingen shoppen en ik ging vol goede moed naar de bibliotheek. Eigenlijk wist ik niet precies wat ik zocht. Na overleg met de bibliothecaris verwees deze mij naar een uithoek van de ruimte waar veel was te vinden uit en over de periode 1400-1600, de late Middeleeuwen.

Na het doorbladeren van verschillende boeken viel mijn blik op een oud boek met vaal verschoten omslag en de titel was nauwelijks leesbaar; Het Oversticht. Mijn speurwerk had mij geleerd dat met het Oversticht het gebied ten Noorden van Utrecht werd bedoeld. Ook de Sallandse Heuvelrug viel hier onder.

Verschillende gebeurtenissen die zich in het Oversticht afspeelden waren hierin opgetekend. Al bladeren kwam ik bij een verhaal over twee broers, bastaard zonen van Filips de Goede daardoor halfbroers van Karel de Stoute.

Al lezend begon mijn hart sneller te kloppen en een vreemd gevoel van triomf trof me. Dit verhaal kon wellicht het mysterie rondom de tunnel verklaren.

 

De twee broers (samenvatting)

 Filips de Goede regeerde Bourgondië van 1419 tot 1467. Hij was drie keer getrouwd maar had wel met 24 vrouwen een buitenechtelijke relatie. Uit deze relaties werden minstens 17 kinderen geboren, destijds bastaards genoemd. Die kinderen werden niet officieel door Filips erkend maar ze werden goed onderhouden en kregen later mooie baantjes als officier, diplomaat of soms zelfs Bisschop.

Ten tijde dat Karel de Stoute, zoon van Filips met zijn vrouw Isabella van Portugal, ter wereld kwam werd er ook een tweeling van Filips bij een andere vrouw geboren. Henry en Pierre zoals de jongens werden genoemd genoten een onbekommerde jeugd. Filips onderhield de moeder en de twee zoons door regelmatig geld te bezorgen en op latere leeftijd kregen Henry en Pierre een hoge functie in het leger van pa Filips. Ze genoten een vorstelijke soldij en hoefden hier weinig voor te doen. Toch waren de broers niet tevreden.

Hun halfbroer Karel de Stoute, de troonopvolger leefde in weelde en hun soldij(al was het hoog) viel daarbij in het niets. Diverse keren hebben ze geprobeerd om het van Filips gedaan te krijgen hen gelijk te behandelen als Karel. Helaas, ze moesten zich blijven behelpen met een inkomen dat 20 maal hoger was dan dat van een soldaat.

Dit alles speelt zich af in Brugge, destijds het handelscentrum van Bourgondië. Vanuit alle windstreken kwamen kooplui om er zaken te doen.

Henry en Pierre waren dagelijks te vinden in een van de vele kroegen die Brugge rijk was. Ze waren graag geziene gasten, ze smeten met geld en bleven vaak tot in de kleine uurtjes feesten en drinken.

 

Op een van deze avonden kwam een koopman uit Noorwegen op zoek naar enig vertier de kroeg binnen waar Henry en Pierre waren neergestreken. De koopman was een imponerende verschijning, twee meter lang, had een lange grijze baard, droeg een mantel en was behangen met gouden kettingen.

De broers boden de koopman een pul gerstenat aan en kwamen met hem in gesprek. De Noor was een wereldreiziger pursang en kon zeer geanimeerd vertellen over zijn tochten. Het gerstenat vloeide rijkelijk en al snel zat bijna iedere herbergbezoeker bij Henry, Pierre en de Noor, Helmut genaamd, aan de stamtafel.

Helmut vertelde over een berg in Noorwegen waar het goud voor het opscheppen lag. Hij transporteerde veel goud naar Rusland, Bourgondië en af en toe voer hij naar Engeland met zakken gevuld met klompjes goud.

Dit edelmetaal ruilde hij ter plekke voor dure specerijen, sieraden, kleding etc. die hij vervolgens mee terug nam naar Noorwegen. Hij was een vermogend man en voor het geld hoefde hij het niet meer te doen maar hij hield zo van het reizen.

Na vele pullen gerstenat en wijn onthulde Helmut de locatie van de berg in zuid Noorwegen en vertelde erbij dat de berg te herkennen was aan een goudgele gloed er rond omheen wanneer de zon er op scheen.

De kastelein vond het om vijf uur in de vroege ochtend welletjes en sommeerde de inmiddels dronken bezoekers het establishment te verlaten.

Zingen en lallend “begeleiden” de broers Helmut naar de Herberg waar hij zou overnachten. Daar aangekomen werd er luidruchtig afscheid genomen van de Noor en de twee broers zochten daarna zwalkend hun eigen onderkomen, de kazerne.

Veel problemen ondervonden ze niet om zo midden in de nacht binnen te komen omdat ze de nachtwakers regelmatig geld toe stopten. Ook wist een ieder dat ze bastaard zonen waren van Filips de Goede.

De volgende ochtend na het uitslapen van hun roes komen de broers in de Mess en spraken over de avond die ze hadden doorgebracht met Helmut. De twee zijn nog steeds ontevreden over hun financiële situatie en bespraken de mogelijkheid om naar Noorwegen te reizen en de berg te zoeken waar het “goud voor het opscheppen lag” aldus hun vriend Helmut.

 

De goudkoorts had toegeslagen.

 

Al dezelfde dag gingen ze allerlei zaken regelen die nodig waren voor een dergelijk bizarre en in die tijd gevaarlijke tocht.

Pa Filips werd geraadpleegd en deze wilde wel mee werken aan hun “idiote” plan. Hij regelde voor de gebroeders een jaar verlof. De soldij werd doorbetaald. Ook kregen ze vijftig manschappen toegewezen om hen te begeleiden naar het verre Noorwegen. De gehele tocht zou over land moeten worden afgelegd maar duidelijke routekaarten waren destijds natuurlijk niet voor handen.

 

Zo vertrok het kleine legertje op 12 oktober 1447 richting het Noorden. Totaal 52 man, 70 paarden, wapens, tenten en veel proviand gingen op weg naar het onbekende.

 

Al de tweede dag stuitte men op een rivier waar men overheen moest. Voor de paarden was deze vrij snel stromende watermassa niet zo’n probleem maar voor de goederen en de manschappen lag dat anders. Van omgekapte bomen werden grote vlotten gebouwd en hiermee voer men naar de overkant.

Door de sterke stroming kwamen de mannen honderden meters westwaarts op de oever aan de overkant. Het duurde een hele dag voordat de paarden weer waren bepakt en de reis weer verder kon. De eerste dagen probeerde men ook ’s nachts door te rijden maar dit was niet te doen.

In deze tijd van het jaar waren de dagen kort en zo rond een uur of zes werd het al donker. De wegen, over het algemeen blubberige zandpaden, waren zeer slecht begaanbaar. Al met al wilde het niet erg vlotten met de goudexpeditie.

De route naar Noorwegen was improvisorisch uitgestippeld op de destijds bestaande landkaarten maar al na twee weken wisten ze niet meer waar ze zich bevonden.

Inmiddels hadden ze weer drie rivieren moeten oversteken. De manschappen begonnen te morren en na enig beraad tussen de beide leiders Pierre en Henry werd besloten de expeditie een berg die in de verte lag te laten beklimmen en op de top hun kamp op te slaan voor enkele dagen om te rusten.

Vanaf dit punt konden ze ook goed de omgeving bekijken. De volgende dag was het stralend helder weer en de manschappen genoten met volle teugen van deze rustdag. Pierre verkende met een optische kijker, meegekregen van Pa Filips, de verre verten. In het noorden zag hij uitgestrekte bossen tot zover je kijken kon Nog net aan de horizon kon hij een hoger gelegen gebied aan de horizon waarnemen. Dit heuvelachtige gebied werd in het zonnetje omgeven door een oranje/gele glans. Henry werd er bij gehaald en Pierre vertelde hem enthousiast dat het waarschijnlijk om de “goudberg” in Noorwegen ging, en dat ze zo snel mogelijk het kamp moesten opbreken om verder te reizen. Henry was enigszins sceptisch en twijfelde aan de conclusie van Pierre gezien de drie weken die ze nog maar onderweg waren. Maar hij wilde ook zo snel mogelijk goud vinden en stemde in met het voorstel van Pierre.

{ze wisten niet dat de heuvel waarop ze zaten de Posbank bij Arnhem was en het Heuvelachtige gebied met de ‘goudberg” die ze hadden gezien kon natuurlijk niet de berg in Noorwegen zijn}

Met nieuwe energie vertrok de groep richting ‘het fortuin’ dat ver voor hen lag. Weer lag er een rivier op hun weg en deze moest men ook oversteken met vlotten, gemaakt van dikke boomstammen.

Wonder boven wonder was de hele groep nog kompleet, hoewel velen verwondingen hadden opgelopen en allen waren oververmoeid.

 

Toen eindelijk na een week het heuvelachtige gebied werd bereikt(met de goudberg) beklommen Henry en Pierre met hun mannen de hoogste heuvel. Pierre was er van overtuigd dat ze de berg in Noorwegen hadden bereikt en wilde zo snel mogelijk gaan graven om het goud naar boven te halen.

Volgens Henry was het onmogelijk om na 4 weken met veel tegenspoed al in Noorwegen te zijn aangekomen. Voor het eerst na vele jaren kreeg de tweeling een enorme ruzie. Henry wilde door naar Noorwegen en volgens Pierre waren ze daar al aangekomen en ook nog op de juiste berg.

{In werkelijkheid waren ze niet verder gekomen dan het Oversticht, De sallandse heuvelrug – Nijverdal}

 

Pierre stelde voor om boven op de berg hun kamp op te slaan en de volgende dag een deel van de berg af te graven om zo vast te stellen of er goud te vinden was.

Henry die niet te overtuigen was legde zich bij het voorstel neer en wist zeker dat morgen, wanneer er geen goud gevonden werd de expeditie wel verder zou trekken.

 

De volgende dag werd met pikhouwelen en spaden een gat gemaakt van anderhalve meter diep met een doorsnede van ca twee meter. Tussen het grind, zand en overige wat uit het gat naar boven werd gehaald en gecontroleerd zaten zowaar twee goudklompjes ter grootte van een knikker.

Het was nog niet veel maar maar Pierre was overtuigd en besloot definitief hier te blijven en verder te graven om zo zijn fortuin te maken. Henry echter bleef (terecht) bij zijn standpunt en probeerde de manschappen ervan te overtuigen dat dit niets was vergeleken met wat er in Noorwegen op hen lag te wachten.

Een aanzienlijk deel van de troepen was het reizen door het koude en natte weer over vaak onbegaanbare wegen beu en verkoos om samen met Pieren hier te blijven.

Henry eiste de helft van de manschappen, paarden, gereedschappen en proviand en de volgende ochtend werd een deel van het kampement afgebroken en toog Henry met zijn afgeslankte legertje richting Noorwegen.

Ondank het geruzie van de laatste tijd viel het afscheid hen zwaar. Tot dan waren ze immers onafscheidelijk geweest.

Pierre verplaatste zijn kampement naar het midden van het vlakke gedeelte boven op de berg. In een aantal hoge bomen werden uitkijkposten ingericht om van hieruit het gebied rondom de berg goed in de gaten te houden. Je wist ten slotte maar nooit  wie er nog meer op het goud uit was.

In die eerste dagen ging een patrouille onder leiding van Pierre de omgeving verkennen.

 

Op de vlakte rondom de berg werden diverse leefgemeenschappen aangetroffen. Het ging hier om grote boerderijen die versnipperd over het landschap lagen. Het was beter dat de lokale bevolking niet in de gaten kreeg dat er “vreemden” op de berg waren neergestreken om naar goud te zoeken. Problemen verwachten ze niet van deze bewoners, ten slotte waren de helpers van Pierre goed getrainde soldaten voorzien van wapens en de uitkijkposten deden hun werk met veel gedrevenheid. Eigenlijk was het een erebaantje als je het vergeleek met het hakken en graven in de aarde.

 

Er werd besloten om het eerste gat verder uit te diepen. Na vijf dagen graven was de goudopbrengst niet om naar huis te schrijven. Ca twintig goudklompjes van verschillende afmeting was de karige beloning na vijf dagen zware arbeid.

De vijfentwintig manschappen, lichamelijk en geestelijk uitgeput na lange dagen hakken en graven in de lastige grond van de Heuvelrug begonnen hun ongenoegen te uiten. Het gereedschap,dat bestond uit pikhouwelen, bijlen en spades, was stomp of kapot. Inmiddels waren er 3 schachten gegraven met een diepte van drie meter. Op de bodem van deze schachten groef men horizontaal in twee richtingen.

 

Het verzamelde zand, grind en keien werd met grote leren zakken naar boven afgevoerd waar het werd nagezocht op de aanwezigheid van goud.

 

 

Het weer was die eerste week buitengewoon slecht. Veel regen en zelfs natte sneeuw teisterden de gelukzoekers.

Pierre probeerde de moraal op te vijzelen door een soldijverhoging in het vooruitzicht te stellen en ook zouden ze delen in de verwachte goudopbrengst. Om dit te bezegelen en te vieren werd er ’s avonds een drinkgelag gehouden. Even konden de mannen de misère vergeten en het werd een gezellige avond in het grootste bivak slechts verlicht door olielampen en fakkels. Naaste de drank die rijkelijk vloeide had de kok gezorgd voor gebraden konijn, korhoen en stukken ree die hij de eerste dagen met zijn kruisboog geschoten had.

Om weer wat op krachten te komen had Pierre de mannen de volgende dag vrij af gegeven. In de loop van de ochtend ging een groep opnieuw de omgeving verkennen. Pierre bleef met een handje vol soldaten achter om het kamp te bewaken.

’s Middags bereikte vanuit de bossen geschreeuw en gevloek het kamp en het leek steeds dichterbij te komen. Vijf minuten later kwam de hele groep die ’s ochtends op pad was gegegaan vanuit de bossen naar het kamp gelopen.

Pierre zag tot grote ontsteltenis dat de soldaten een groep jonge mannen met zich mee voer.

Van het hele gezelschap waren er verschillende besmeurd met modder en bloed. Tijdens de verkenningstocht waren de soldaten van Pierre gestuit op een groep van tien mannen die aan de rand van het bos aan de voet van de berg bezig waren met het kappen van bomen. Er ontstond een vechtpartij en de goed getrainde soldaten besloten, nadat ze korte metten hadden gemaakt met de autochtonen, ze gevangen te nemen en af te voeren naar het kamp.

Er werd door de mannen voorgesteld om de gevangenen in te zetten bij het goud delven.

Pierre stemde hiermee in en de gevangenen werden voor de nacht geboeid en een speciaal bewaakt bivak was hun nieuwe onderkomen.

Bij dageraad werden de gevangenen met gebruik van geweld aan het werk gezet. Onder erbarmelijke omstandigheden moesten de tien slaven de mijnschachten verder uitdiepen en zand naar boven afvoeren waar het werd gecontroleerd door de soldaten op de aanwezigheid van goud. Voor hen was het werk er een stuk makkelijker op geworden. Na een dag of tien begon de expeditie zijn vruchten af te werpen. Een goudader werd ontdekt en er werden flinke hoeveelheden goud naar boven gebracht door de getergde en uitgeputte mijnwerkers.

Twee keer per dag werden de slaven naar boven gehaald om iets te eten en te drinken. Drie soldaten zagen er op toe dat ze niet konden ontsnappen. Een van de gevangenen lukte het echter toch om weg te komen. Hij had zich onder begeleiding van een soldaat afgezonderd om zijn behoefte te doen. Met een boomstam had hij de soldaat neer geslagen en snel het hazenpad gekozen. De naaste omgeving werd grondig afgezocht maar de vogel was gevlogen.

De kans was groot dat de bevolking van rondom de berg het kamp zou bestormen om hun jongens te bevrijden uit de handen van de agressor. De bewaking rondom het kamp werd verdriedubbeld en de achter gebleven gevangenen moesten nog harder werken dan voorheen.

De ontsnapte gevangene (Jan) had inmiddels een groot deel van zijn buren op de hoogte gebracht over wat er zich bovenop de berg afspeelde en dat er nog negen man werd vastgehouden onder zeer slechte omstandigheden.

Ze waren woedend en wilden direct tot actie overgaan.

Jan vertelde hen over de goed uitgeruste en gewelddadige soldaten van Pierre en ze zagen af van een aanval om hun jongens te bevrijden.

 

Er werd een plan uitgedacht om ongezien het kamp te bereiken en de gevangenen mee terug te nemen. Zeer gedetailleerd omschreef jan de situatie op de berg met zijn 3 mijnschachten en een horizontaal uitgegraven gangen stelsel.

Al snel kwam het idee om vanuit de zuidwest kant een tunnel te graven door de berg omhoog naar het kamp.

Door de grillige glooiingen aan deze zuidwest kant van de berg was het onmogelijk voor de bewakers te zien wat er zich aan de voet afspeelde.

Een groep van dertig man onder leiding van Jan toog aan het werk en begon met het graven van een tunnel richting goudzoekerkamp boven op de berg. Het graven was een “hel”. Wat de expeditie van Pierre al had ondervonden met het afgraven ondervonden nu ook de bevrijders in spe.

De tunnel vorderde traag en moest worden onderstuk met boomstammen om instorten te voorkomen. Met man en macht werd er gegraven, zand en stenen afgevoerd en boomstammen aangevoerd. Het begin van de tunnel was niet meer dan een meter breed en zo, n 150 cm hoog. De twee gravers voorin werden om de twee uur afgelost en daarom moesten de mannen elkaar in de tunnel passeren en het was al zo’n benauwde situatie in het donker onder de grond. Men nam de beslissing de tunnel te verbreden tot 150 cm en de hoogte werd aangepast zodat er redelijk rechtop gelopen kon worden. Dit alles vergde veel meer werk maar uiteindelijke werkte het een stuk makkelijker.

Zonder licht was het bijna onmogelijk om goed en efficiënt te werken. Om de tien meter werd er een olielamp geplaatst maar door de walm die die lampen veroorzaakten hing er al snel een verstikkende atmosfeer in de tunnel. Toen de tunnel een lengte van ca veertig meter had bereikt werden de gravers voorin onwel door gebrek aan zuurstof. Op hun laatste krachten en met veel moeite konden ze de verfrissende lucht bij de uitgang bereiken.

De opzet van de operatie was om mensen te bevrijden, het zou te gek zijn als er doden zouden vallen in de enge en benauwende ruimte onder de grond. Ze hadden ook nog maar slechts een vijfde deel van de tunnel gegraven, dit kon zo niet verder.

De aarde boven de tunnel was begroeid met flinke heidestruiken en ze groeven in de tunnel om de dertig meter luchtschachten naar boven toe. De luchtkanalen werden gecamoufleerd door het ruige landschap en kans op ontdekking door de soldaten was onwaarschijnlijk.

Het werkklimaat was behoorlijk verbeterd en met nieuwe energie ging de groep onder leiding van Jan verder met de “bevrijdingstunnel”.

Toen deze na tien dagen een lengte had bereikt van ca honderd meter kwamen ze er achter dat ze te diep onder de oppervlakte zaten. Het graven van de derde beluchtingschacht lukte niet. Nadat ze een gat van zes meter omhoog hadden gegraven kwamen ze nog niet aan het oppervlak. Jan gaf opdracht de tunnel meer naar boven te leiden. Na honderddertig meter zaten ze goed. Er werd opnieuw geprobeerd een luchtkanaal naar boven te graven en deze keer was het na drie meter bingo. Dit luchtkanaal zo halverwege de af te leggen afstand werd tevens gebruikt om te controleren of de tunnel in de gewenste richting liep. Het werd zo breed gemaakt zodat een persoon omhoog kon worden geduwd om voorzichtig over de heidestruiken na te gaan waar ze zich precies bevonden. De top van de heuvel was nu duidelijk te zien en de tunnel liep rechtstreeks richting de mijnschachten.

 

Intussen ging het goud zoeken op de berg gewoon door. Rondom het kamp was de bewaking naar alle windrichtingen verzekerd. Alleen de gevangenen en een vijftal soldaten bekommerden zich om het delven van goud dat nog steeds in grote hoeveelheden naar boven kwam. De rest van Pierre’s mannen was voortdurend bezig de omgeving af te spieden omdat ze een aanval van de lokale bevolking verwachten.

Ze hadden geen idee wat er zich zuidwest waarts onder de grond allemaal afspeelde.

Onder de grond werd er flink doorgewerkt. De aansluiting op de mijnschachten zou niet lang

meer op zich laten wachten als de tunnel in de juiste richting bleef lopen.

De kans op ontdekking was te groot om opnieuw een luchtschacht te maken om van daaruit de situatie te overzien. Volgens Jan waren ze de mijnschachten nu op zo’n twintig meter genaderd. Om te kijken of er nog een correctie moest worden aangebracht besloot men om een gat naar boven te graven. Net onder de oppervlakte stopte men en ’s avonds in het donker, werd een lange dunne stok uit het aardoppervlak naar boven gestoken zodat het boven de heide uit zichtbaar zou zijn. Bij het aanbreken van de dag werd vanuit het luchtkanaal op honderddertig meter de heidevlakte afgezocht of men de stok kon ontdekken. Ze hadden geluk.

De tunnel liep precies in de juiste richting. De rest van de dag werd gebruikt om de tunnel te voltooien. Tegen het einde van de dag waren ze zover gevorderd dat het nog slechts om enkele meters ging om kontact te krijgen met een van de mijngangen.

Jan en acht man die het werk voorin de tunnel verzorgden besloten om terug te gaan naar de uitgang om de laatste fase van het plan te bespreken. Vermoeid maar goed gestemd liepen ze door de tunnel terug. Halverwege bij de brede luchtschacht was de boel ingestort en ze zaten opgesloten in het voorste deel van de tunnel waar geen extra luchtkokers aanwezig waren. Er ontstond een paniekerige stemming en ze beseften maar al te goed dat ze zo snel mogelijk de aarde die de weg versperde moesten verwijderen.

De hele avond en nacht werd er van twee kanten gewerkt om het zand te verwijderen en de tunnel en het luchtkanaal opnieuw met boomstammen te onderstutten. Zo tegen de ochtend was het probleem opgelost en de mannen besloten om naar hun boerderijen terug te keren om een dag rust te nemen. De volgende dag zou men het plan om hun jongens te bevrijden ten uitvoer brengen.

 

Jan wist bijna zeker dat alleen de gevangen maatjes van hem in de mijnschacht het werk deden terwijl de soldaten alleen het goud uit de bergen zand filterden met behulp van een grote zeef. Ze besloten dan ook om overdag terwijl het goud delven in volle gang zou zijn de ontsluiting vanuit de tunnel naar de mijnschacht te graven.

Die dag werd de groep net als alle voorgaande dagen bij het eerste licht de mijn ingedreven om weer een lange dag mens onterend werk te verrichten.

Het leven was verschrikkelijk zwaar. ’s Nachts sliepen ze slecht, het eten was belabberd en overdag moesten ze minstens negen uur onder de grond hard werken. Wanneer er in de ogen van de bewakers te weinig aarde naar boven werd gebracht werd de gehele groep naar boven geschreeuwd en werden er stokslagen uitgedeeld.

 

Ze waren aan het einde van hun latijn. De hoop dat familie en of vrienden hen zou komen bevrijden was inmiddels geheel verdwenen. Als levende lijken togen ze, bang voor represailles, aan de slag. Er werd gewerkt in twee groepen in verschillende delen van de mijn.

In de schacht waar de tunnel van de groep van Jan zo ongeveer moest uitkomen was die dag een groep van vier man aan het graven en zand aan het afvoeren. Terwijl de voorste gevangene (Germond) met een handbijl de aarde los sloeg, zakte vlak achter hem een deel van de zijwand in. Hij raakte half bedolven onder het zand en in paniek keek hij achterom waar zijn kompanen zich bevonden.

Terwijl hij daar hulpeloos lag moesten zijn ogen opnieuw aan het schemer donker wennen. Ineens hoorde hij een onverklaarbaar geluid dat uit de zijwand van de mijnschacht leek te komen achter de berg zand.

Het geluid dat hij aanvankelijk hoorde, een soort gesis(pst), veranderde in een duidelijk verstaanbare stem die gedempt riep; we komen jullie bevrijden, waar zijn de anderen. Jan kroop als eerste uit de tunnel in de mijnschacht. De gevangene nog half onder het zand herkende Jan en begreep toen pas de woorden die hij even daarvoor had gehoord; we komen jullie bevrijden.

Germond was zielsgelukkig en kroop als herboren voor de bevrijders uit naar het gedeelte waar de andere groep aan het werken was. Op weg daar naar toe kwamen ze de drie collega’s va Germond tegen die zojuist een lading zand naar boven hadden gebracht. Jan gebaarde dat ze stil moesten zijn en legde de situatie uit. Het werd opschieten geblazen want het zou niet lang duren voordat de mijnwerkers naar boven zouden worden geroepen om te eten. Na tien minuten warenwaren alle negen man gevonden en Jan vertelde van de prachtige tunnel die voor hen de weg naar de vrijheid betekende. Snel kroop de gehele groep richting het deel van de mijn waar de tunnel aansluiting had gemaakt.

 

Geschreeuw en het geluid van kletterend metaal deed de mannen ontwaken uit hun ontsnappingsroes. Het was tijd om boven te komen voor het eten. Tijd voor overleg was er niet en Jan dacht Nu of Nooit meer. Zo snel als ze konden kropen ze naar de tunnel. Daar aangekomen kon het kruipen overgaan in lopen en nu met een veel hoger tempo ging het door de tunnel richting de bevrijdende uitgang die tweehonderd meter verder lag.

Jan die als laatste de tunnel in ging hoorde achter zich het vloeken en schreeuwen van een aantal soldaten die waren afgedaald in de mijn om te kijken waar de gevangenen bleven. Blijkbaar hadden ze iets gehoord en kwamen meteen in de richting op waar de groep in de aarde verdwenen was op weg naar de vrijheid.

Jan maakte dat hij wegkwam en schreeuwde in paniek naar voren dat ze moesten opschieten. De soldaten van Pierre waren inmiddels bij de tunnel aangekomen en zagen in het vage licht van de olielampen schimmen van de vluchtende mannen.

Zonder na te denken zetten ze de achtervolging in en al snel zaten ze zo’n dertig meter achter Jan. Andermaal schreeuwde Jan naar voren om de vluchters aan te sporen sneller te gaan. Om het zijn achtervolgers moeilijk te maken gooide hij de brandende olielampen die hij tegen kwam richting zijn achtervolgers. Er ontstonden enkele kleine brandjes in de tunnel die daarna snel gevuld werd met rook.

De soldaten wilden niet met lege handen terugkomen bij Pierre en gingen op de tast zo snel als het kon door met de achtervolging. Jan, nog steeds, achteraan de groep werd steeds dichter genaderd door de soldaten en hij besloot de boomstammen die als ondersteuning van het dak dienden te verwijderen.

Met de laatste krachten die hij nog bezat trok hij over een lengte van twee meter boomstammen weg uit de wand en het plafond van de tunnel. Er begon al zand en stenen naar beneden te vallen en met een noodsprong kon hij net ontsnappen aan een lawine zand die achter hem neerstortte. De soldaten achterhem liepen regelrecht in de dodelijke lawine, met grote kracht werden ze tegen de grond gesmeten door het dak van de tunnel dat bestond uit 3 meter aarde.

Jan keek achterom, ineens was het doodstil geworden en hij zag tot zijn opluchting dat de doorgang volledig was versperd en de achtervolgers waren niet waar te nemen. Met een op hol geslagen hart en knikkende knieën legde hij de laatste tientallen meters af naar de uitgang. Opgelucht deelde hij zijn maten mee dat de ontsnapping was gelukt en de achtervolging was gestopt.

Iedereen keerde huiswaarts en ’s avonds was het in menig boerderij rondom de berg groot feest.

Intussen waren twee soldaten in de tunnel die de lawine wonder boven wonder hadden overleefd terug gegaan naar het kamp en informeerden Pierre over wat er zich had afgespeeld. Pierre stond perplex. Hij had geen zin om represailles te nemen, ten slotte was hij de agressor die veel leed had veroorzaakt op de berg. De bevolking gesterkt door hun overwinning(bevrijding van de mannen) zou wel eens tot een aanval over kunnen gaan.

Er was inmiddels meer goud gevonden dan ze mee konden voeren naar het verre Brugge en nu er 5 soldaten waren omgekomen en de lokale bevolking goede reden had om hen van de berg te verdrijven, besloot Pierre ’s nachts het kamp op te breken en bij dageraad het hazenpad te kiezen.

De uitgedunde expeditie vertrok met stille trom van de berg met medeneming van honderden kilo’s goud richting Brugge.

Pierre dacht aan zijn broer Henry. Waar zou hij zijn, wat zou hij doen, leeft hij nog.

In augustus van dat jaar arriveerde Pierre met zijn mannen in Brugge. Ze werden als helden binnen gehaald. Pierre die het leger verruilde voor het zakenleven leefde de rest van zijn leven als een gefortuneerd man.

Van zijn broer heeft hij nooit meer iets vernomen.

 

 

 

Voorlopig einde