van dorpscafé tot theater de muzikale geschiedenis van Hellendoorn

Pophistorie Gemeente Hellendoorn – De soundtrack van onze lokale geschiedenis

De muziekscene binnen de gemeente Hellendoorn is altijd groter geweest dan de podia waarop zij klonk. Achter elke repetitieruimte, elke schuur, elke dorpszaal en elk café schuilt een verhaal: van jonge muzikanten die hun eerste akkoorden oefenden tot ervaren bands die de regio kleur gaven met hun eigen geluid.

In onze rubriek Pophistorie Gemeente Hellendoornbrengen we die verhalen samen. We duiken in het rijke verleden én de bruisende actualiteit van bandjes, groepen en muzikale initiatieven die onze gemeente hebben gevormd. Van de pioniers uit de jaren zestig en zeventig tot de hedendaagse acts die nu op lokale podia staan — allemaal verdienen ze een plek in dit levende archief.

We besteden aandacht aan:

  • Lokale bands die de basis legden/leggen voor de regionale popcultuur

  • Muzikantendie met hun instrumenten en creativiteit het geluid van Hellendoorn bepaalden

  • Initiatievenzoals jamsessies, festivals, oefenruimtes en samenwerkingen die de scene lieten groeien

We willen niet alleen terugkijken, maar ook vastleggen wat anders verloren dreigt te gaan. Daarom nodigen we onze volgers uit om mee te bouwen aan deze muzikale tijdlijn.

Heb jij herinneringen aan een bandje uit de buurt? Weet je nog wie er speelde, welke instrumenten klonken, of welke optredens legendarisch waren? Of ben je zelf onderdeel geweest van een groep die het verdient om genoemd te worden?

Jouw input is onmisbaar.

Laat het ons weten en help mee om de pophistorie van de gemeente Hellendoorn compleet te maken. Samen brengen we de muziek van toen en nu opnieuw tot leven. Stuur je informatie naar info@nijverdalobjectief.nl

“Van dorpshuis en café tot De Lantaarn en het theater – de muzikale geschiedenis van Hellendoorn.”

Cultuur fluistert waar politiek beslist.

Macht en betekenis ontmoeten elkaar waar cultuur de politiek kleur geeft

Bloemen, Blues en Bakfietsen – jeugdjaren vol kleur en geluid in Nijverdal

In de jaren dat Eddy en ik nog jongens waren, voelde Nijverdal als een wereld op zichzelf. De straten, de mensen, de winkels — alles had een eigen ritme, een eigen geur, een eigen geluid. Het was een tijd waarin je nog overal bekenden tegenkwam, waarin de dagen lang leken en de toekomst groot. En  in die wereld, aan de Rijssensestraat stond de bloemenzaak van Eddy’s ‘’stiefvader’’: Baccara.

Iedere week reed de vriend van Eddy’s moeder een middag met zijn stationwagon door de wijken ten westen van de Rijssensestraat, de auto tot de nok toe gevuld met bloemen. De geur van verse rozen en chrysanten mengde zich met het geluid van de motor, en iedereen wist: daar komt Baccara weer. Toen hij besloot te stoppen met de winkel, vroeg hij of Eddy en ik zijn ventwijk wilden overnemen. Voor ons voelde dat als een enorme kans — een avontuur, een verantwoordelijkheid, een stap richting volwassenheid.

Alleen… we hadden nog geen rijbewijs.

Gelukkig kwam de oplossing uit een onverwachte hoek. Op de Eversberg stond bij een oude bakkerij een afgeschreven bakfiets te verstoffen. Een log, houten gevaarte met een deksel erop, ooit gebruikt om brood rond te brengen. Ik kocht hem, en samen met mijn vader Sinus hebben we hem volledig opgeknapt. Het was een project van weken: schuren, lakken, nieuwe banden erop, het frame verstevigen. Mijn vader had geduld, vakmanschap en een soort stille trots die je alleen ziet bij mannen die hun handen laten spreken.

Toen de bakfiets klaar was, glom hij als nieuw. Een werkpaard op drie wielen, klaar voor een tweede leven.

Vanaf dat moment reden Eddy en ik elke vrijdagmiddag door de wijken, de bakfiets volgeladen met bloemen die Eddy’s moeder op donderdag bij de groothandel uit Hillegom, die langs kwam, had ingekocht. We belden aan bij deuren, maakten praatjes, leerden de vaste klanten kennen. Sommige mensen kochten elke week een bosje, anderen alleen als er visite kwam. En altijd was er wel iemand die zei: “Wat goed van jullie, jongens.”

De bloemen die overbleven gingen mee naar huis. Onze moeders waren er dolblij mee — de woonkamer rook elke week naar vers groen — en wij hielden er een mooi zakcentje aan over. Na aftrek van de inkoop voor de volgende week natuurlijk, want we waren inmiddels echte ondernemers.

Maar in diezelfde periode speelde er nóg iets dat ons leven kleur gaf: muziek.

Samen met Bert van de Werfhorst, Kees Bosch, Guy Donner(Botman) en ikzelf begonnen we een bandje. De Stagefright Bluesband. Iedere week oefenden we in de garage achter het huis van mijn ouders. Die garage was ons domein: een plek waar de blues zich mengde met het geluid van krakende versterkers, losse snoeren en onze eigen jeugdige bravoure. De muren waren koud, de vloer was van beton, maar voor ons voelde het als een studio.

We oefenden urenlang. Soms klonk het nergens naar, soms klonk het alsof we de wereld aankonden. En langzaam groeide ons zelfvertrouwen. De repetities werden strakker, de nummers beter, en op een dag kwam de uitnodiging waar we stiekem op hadden gehoopt: de huishoudschool vroeg of we wilden spelen op hun jaarfeest bij Buursink.

Ons eerste echte optreden. 20 Februari 1976.

Er was alleen één probleem: hoe kregen we onze apparatuur daar? Buursink lag een kleine kilometer verderop, maar onze gitaren, boxen en trommels waren te zwaar om te sjouwen. In de garage stond echter nog iets anders — onze trouwe bakfiets. Het ding had al bewezen dat hij bergen bloemen kon dragen, dus waarom geen blues?

We laadden hem vol met alles wat geluid kon maken. Versterkers, gitaren, drumstukken, kabels — het werd een bonte karavaan, een soort mobiele muziekwinkel op drie wielen. Zo trokken we door Nijverdal, duwend en lachend, op weg naar Buursink. Mensen keken ons na, sommigen grinnikten, anderen zwaaiden. Voor ons voelde het alsof we op tournee waren.

Het optreden werd een groot succes. De zaal vol leerlingen, de spanning, de eerste akkoorden die door de ruimte gierden — het voelde alsof we de wereld aan konden. En ergens achter de coulissen stond onze bakfiets geparkeerd, alsof hij trots toekeek hoe wij onze eerste stappen zetten als band.

Die oude bakfiets werd zo veel meer dan een vervoermiddel. Hij bracht bloemen naar de mensen, muziek naar de jeugd, en herinneringen naar ons hart. Hij was het stille middelpunt van onze ondernemingslust, onze vriendschap, onze dromen.

Een bakfiets die zowel bloemen als blues vervoerde — en daarmee een heel stuk van onze jeugd. Tekst; Peter Stevens/ Nijverdal Objectief

Eddy Schopenhauer die in het begin van het verhaal wordt genoemd is op 13 maart 2026 overleden.

Bij Band Boost Retro zetten we steeds één lokale band centraal. Vier weken lang krijgt die band hier alle aandacht met korte verhalen en sfeer. Daarna maken we ruimte voor de volgende band, die op deze plek hetzelfde podium krijgt.

Noblesse – rock uit Nijverdal met een stempel op de regio

Toen in 1979 de eerste repetities plaatsvonden in Nijverdal, was al snel duidelijk dat Noblesse geen band zou worden die slechts een plek innam in de lokale rockscene. Ze wilden iets neerzetten dat bleef hangen. De basis werd gevormd door gitarist Jan Niewold, net uit de Red Amp Blues Band, en Guy Donner (Botman) als tweede gitarist. Die dubbele gitaarlijn gaf Noblesse vanaf het begin een herkenbare rand. Ferry Risakotta, eveneens afkomstig uit Red Amp, bracht met zijn baslijnen een stevige groove mee, terwijl Peter Deiman achter de drums het geheel strak en onverzettelijk voortstuwde.

In de loop van de tijd sloten Kees Tromp en Fien Gomes zich aan als zangers. Fien gaf de band een duidelijke identiteit: haar warme, krachtige stem zorgde voor een extra laag expressie en maakte Noblesse herkenbaar op elk podium waar ze stonden. Ook John Mulder (zang) en Theo Risakotta (drums) leverden hun bijdrage in verschillende fases van de band, waardoor Noblesse zich kon blijven ontwikkelen en vernieuwen.

Tussen 1979 en 1985 speelde Noblesse zich stevig in de regionale muziekscene. Ze traden veelvuldig op in jongerencentra en zalen die voor veel jongeren uit Hellendoorn en Nijverdal vertrouwd waren: ’t Noaberhuus, De Sproake, Lucky Luke, en diverse podia in Rijssen, Borne, Heeten en Appelscha. Opgetreden in het voorprogramma van Vitesse. De band stond bekend om hun professionele aanpak. Ze reisden met een eigen PA‑systeem, bouwden hun geluid zorgvuldig op en zorgden ervoor dat elk optreden strak en overtuigend was. Hun repertoire bestond uit melodieuze rock met funk-invloeden, eigen werk dat goed in elkaar zat en nummers die herkenbaar genoeg waren om mee te zingen, maar altijd met een eigen draai.

Noblesse speelde niet alleen in de regio. Ze stonden ook op grotere podia zoals Paradiso in Amsterdam en Het Paard van Troje in Den Haag, plekken waar je als regionale band niet zomaar terechtkwam. Ook waren ze regelmatig te zien in de Koffer in Groningen(O.a. Thuishaven van Heman Brood) ‘’The place to be’’ als band. Het liet zien dat Noblesse meer was dan een dorpsformatie: ze hadden een geluid dat overeind bleef, ook buiten hun vertrouwde omgeving.

De band maakte deel uit van een tijd waarin lokale muziek een belangrijke rol speelde in het leven van jongeren. Jongerencentra organiseerden avonden waarop sport en muziek samenkwamen, en Noblesse was regelmatig een van de hoofdacts. Ze traden op tijdens volleybaltoernooien, jongerenavonden en regionale festivals, en wisten met hun energieke rock een breed publiek te bereiken. De combinatie van sterke muzikanten, een herkenbare zangeres en een professionele instelling zorgde ervoor dat Noblesse een naam werd die nog altijd met waardering wordt genoemd.

Zoals bij veel bands veranderde de bezetting door de jaren heen. Er waren periodes waarin Noblesse als trio speelde, met Jan, Ferry en Peter als vaste kern. Ondanks deze veranderingen bleef de naam Noblesse staan voor kwaliteit en overtuiging. De optredens in Appelscha, Neede en Rijssen bewezen dat de band ook buiten de gemeentegrenzen een vaste schare liefhebbers had. Hun muziek bleef herkenbaar: strak, melodieus en met een duidelijke focus op samenspel.

Noblesse groeide uit tot een blijvend hoofdstuk in de lokale popgeschiedenis van Nijverdal en Hellendoorn. Ze lieten zien dat een band uit een dorp een eigen geluid kan ontwikkelen dat verder reikt dan de directe omgeving. Hun verhaal is daarmee niet alleen een terugblik op een band, maar ook op een periode waarin lokale muziek een belangrijke rol speelde in de cultuur van de gemeente.

Crossroads, overdenkingen van een oude bluesgitarist    Willem Niewold

 

Ik vroeg me af waarom ik er nog zo mee bezig ben, terwijl het lang geleden is dat ik in Nijverdal de gitarist van Brushwood was en ik al sinds mijn vierentwintigste weer in Groningen woon, waar ik ook voor mijn zevende woonde. Het zal hiermee te maken hebben: De bands en de muziek hebben mijn leven veranderd. Ik ben van stuurloze jongen - die niks kon en die op school werd gepest omdat hij de taal niet sprak en met een ander geloof was opgevoed - door de muziek, en de bands - hoe zal ik het zeggen? - ’ontplooid’. Maar het is wellicht ook omdat ik veel nummers van toen, met mijn zelfontwikkelde ‘tien vingers blind’ techniek weer speel. En ik probeer te vatten waar destijds de magie in zat.

Waar kwam het vandaan? Waar heeft het toe geleid? En wat heeft het met orgels te maken?

Het begon ongeveer zo: ouderling Jalink, de vader van Anton Jalink, was een godvruchtige fabrieksarbeider uit onze kerk die, als bijverdienste, samen met zijn zoon, met anti-roomse afkeer van pracht en praal, grimmig de rijk geornamenteerde behuizingen om antieke trapharmoniums weghakte om ze met eenvormig meubelplaat te hervormen tot moderne meubels die op elektronische Riha-orgels leken. Met een opgeheven vinger bezwoer hij Anton en mij dat we niet naar ‘De Fakkel’ mochten, het vakbondsgebouwtje achter hun huis aan de Banninksweg in Nijverdal, omdat daar, georganiseerd door ‘16+Beat’, ‘duivelse muziek’ werd gespeeld. Dus staken wij onze hoofden door het openstaande raam en zagen daar jongens met haar tot over de oren en wat beslist gewichtloze witte wieven waren zweverig dansen op de met Marshalls versterkte blues van Cuby and the Blizzards. Pokkenherrie. Vond ik. Maar Anton zag een kans om zijn vader te sarren. Hij kocht bij Völkers aan de Mensinkweg de lp van John Mayall en de Blues Breakers met Eric Clapton waarna ‘All your love’ en ‘Hideaway’ door de vrijgemaakte huiskamer schalden, en wij de op die zaterdagavond aanschouwde rituele heksendansen imiteerden, tot Anton’s vader thuiskwam van de Koninklijke Stoom Weverij en op zijn knie toornig het broze vinyl brak - niet wetend dat die ‘Beano’-lp tegenwoordig op eBay met gemak 200 euro doet.

Anton was twee jaar ouder dan ik. Hij had gewacht met voldoendes halen tot we in dezelfde klas zaten, en omdat ik naast hem in de schoolbank mijn werk niet afschermde ging hij tegelijk met mij naar de ambachtsschool. Met een beetje waardering voor de talenten die hij wel had, en misschien een pilletje Ritalin, was hij beslist een van de beste meubelmakers van Nijverdal geworden, en, net als de zonen van meester Luimes, en Roel de Vries, op zondagochtend kerkorganist. Want dat kon Anton wel: houtbewerken en orgelspelen.

Na mijn aanvankelijke afkeer van ‘beat’ opende Peter Green van Fleetwood Mac voor mij de poort naar hemelse gitaarmuziek, met zijn, op Johnny en Santo’s ‘Sleepwalk’ geïnspireerde instrumental ‘Albatross’. Op het scherm van de bij Radio Freie gekochte zwartwit tv zag ik, boven eindeloze golven, een mega-meeuw, en vaag in de wolken daarachter gitaristen, waarna ik wist: dat wil ik ook! Dus begon ik een bandje. En bestelde bij het Nederlands Taleninstituut schriftelijke Klavar Scribo-lessen gitaar in pianotabulatuur. In die volgorde. Herman Bruins, die bij Advendo had leren trommelen en voor zijn verjaardag een hagelnieuw blauw parelmoer drumstel had gekregen werd de drummer. Harry Bekking, een uit-huisgeplaatste Amsterdammer die bij zijn oom, de bovenmeester van de School met de Bijbel in Hulzen, onder curatele stond, werd de bassist. Anton werd onze organist. ‘Cross Move’ noemden we de band. ‘Crossroads’ bedoelden we. Denk ik.

Tijdens de eerste repetitie oefenden we voor de pauze onze handtekeningen, en in de pauze, lopend op de Grotestraat langs het Henry Dunantpark, vroeg ik me af of we al herkend werden. Na de pauze, net toen ik door mijn twee akkoorden heen was klopte Peter Nijman op de garagedeur waarachter wij repeteerden. Peter kende drie akkoorden. En het introotje van ‘My heart beats like a hammer’, en daarmee het hele repertoire van Jeremy Spencer, de slide-gitarist van Fleetwood Mac die Elmore James imiteerde. O ja, en de solo van ‘Merry go round’. Waarmee we een repertoire hadden. Peter’s broer Ronnie, een jazzgitarist die er moeiteloos ‘Sweet Georgia Brown’ uitgooide, leerde me uiteindelijk een beetje gitaarspelen.

Cross Move debuteerde op een verjaardag bij de familie Nijman thuis. Indisch eten en een paar leuke zussen maakten dat het huis van de Nijmans een soort ‘Noaberhuus’ was. Nico van Harten, die ik in de bus naar de LTS in Almelo ‘Lea’ van de Cats had horen zingen, leerde er Geke, zijn eerste vrouw kennen. En zijn vriend Wim Hofman, waarmee hij later het Ierse folk-trio Celtic Mist zou oprichten. Ik werd er verliefd op Anita, Peter’s nichtje.

Met op het repertoire om het andere nummer een Elmore James-blues bestegen we het podium van Sion. Niet de berg in het beloofde land: het dorpshuis van Hulzen. Door het ritmisch swingen tijdens ‘River deep mountain high’ scheurde de gulp van mijn veel te strakke Spaanse broek open en in de poging mijn kruis te bedekken met mijn gitaar trok ik mijn versterker (een printplaat en een transformator in een doos met daarop ‘Marshall’) van de luidsprekerkast waardoor de printplaat brak. En daarmee mijn imago? Ik weet het niet. Het werd een trend die een angst werd en die in nachtmerries nog steeds opdoemt: versterkers die in rook opgaan, eindeloze snoeren die verward raken, gitaren die geen geluid produceren… Misschien komt dat omdat Anita het daarna uitmaakte.

Leven-veranderend werd het, voor mij, toen ik, na hard oefenen, de solo van Peter Green’s ‘Stop Messing Around’ wilde spelen. Waar Peter Green Danny Kirwan af en toe gul the lead gunde riep ‘onze’ Peter, voor ik de kans kreeg me te bewijzen: ‘Ik ben de sologitarist. Hij eruit of ik eruit!’ waarna de band als een man achter mij ging staan, en me een trap gaf.

Anton stapte vrijwillig uit Cross Move, nadat zijn elektronische orgel (als wraak voor alle vernielde harmoniums?) er de brui aan gaf en de band gewoon doordenderde. Zei ik ‘stapte’? Stampvoette! Hij smeet de weigerachtige toongenerator ver van zich om nooit meer een toets aan te raken. Helaas was hij inmiddels door alle duivelse afleiding, ook het spoor naar het meubelmaken bijster, hetgeen beslist een verlies was voor dat vak.

Kruispunten, afslagen. Anton dook de kroeg in. Ik sloot me op in mijn kamer met mijn gitaar. In Almelo, waar ik overdag bij Philips werkte, repeteerde ik met Joop Draaier de bassist van Mr. Booboo voor een talentenjacht in Lochem die onze doorbraak moest worden, maar waar we laatste werden omdat de snaren van mijn dood op de hals lagen na een val. Ik Raalte speelde ik met ‘Gamme’ Luchtenberg, Rens Kelder en Jan Schotman (tot de oefenruimte die ik moest helpen vertimmeren klaar was). Daarna heb ik met Herman Bruins (deze keer geïnspireerd door ‘Same old Story’ Rory) ‘Story’ opgericht. Freek van Lochem werd onze bassist. Later werd dat Henk Bootsveld die net als ik op de muziekschool gitaarles had van Piebe Wester. Verkleed als John Williams en Julian Bream hebben we bij het afscheid van burgermeester Crommelin het gitaarduet ‘L’Encouragement’ van Ferdinand Sor in E-majeur uitgevoerd (waarbij ik de syncopen verknalde door mijn partij op de tel te spelen, maar dat heeft niemand gehoord). Voor twee bluesrock-gitaristen die bij wijze van spreken gewend waren met hun tong te spelen en gitaren in brand te steken kwamen we er aardig mee weg.

Vanwege de opkomst van een roddelblad met die naam hebben we ‘Story’ omgedoopt tot ‘Brushwood’ - ‘Goedenavond dit was Brandhout!’ (Jan Harmsen na elk optreden en voor het afbreken van de installatie).

Met Ely Picanussa, die als bassist ook in het Hawaii-bandje van Burnama speelde, wonnen we de ‘talentenjacht’ waarvan niemand wist dat het een talentenjacht was. Engbers van de VVV kwam naar mij toe en vroeg: ‘Wil jij een talentenjacht organiseren, in het Henry Dunantpark?’ Ik zei: ‘Nee. Muziek is geen competitiesport, iedereen doet zijn eigen ding op zijn eigen manier, en - noem mij een muziekcommunist - het is allemaal even veel waard.’ Ik wilde dat het een festival werd. ‘De gemeente geeft geld beschikbaar gesteld voor een talentenjacht,’ hield Engbers vol. Ik heb het in het midden gelaten. Ze mochten onze PA gebruiken en voor de honderd gulden die we wonnen (opeens sprong een voorzitter op het podium en begon over een jury en een stemming) heb ik achteraf voor iedereen die gespeeld had een biertje gekocht. Toch brak de hel los: ’Talentenjacht? Talentenjacht? Wist jij dat het een talentenjacht was?’ Ze kwamen dreigend op me af, alle rockers die tot dan toe collega’s waren, en opeens, als door de vloek van kennis getroffen, wraakzuchtige competitors. Het werd een onvergetelijke dag. Een dag die dankzij Gerhardus Ekkelenkamp, die net een nieuwe 4mm camera had, voor het nageslacht bewaard is gebleven, die de dvd over de historie van Nijverdal nog gehaald heeft en die in 1977 met de Voyager de ruimte in geschoten is om aliens te laten zien wat op aarde normaal was. Nou ja, het staat op internet:

https://www.youtube.com/watch?v=fVMsNDWgwU0&t=180s

De duistere delen van die film zijn in het Noaberhuus geschoten, waar Rory Gallagher een fanatieke fan-basis had, en daarmee wij, omdat we zijn plaatselijke apostelen waren. We organiseerden zelfs bedevaarten. Niet naar Ballyshannon, maar naar live concerten van ‘Hem’, zoals in Breda. We huurden een bus bij de Gebo waar ik inmiddels chauffeur was. Ik reed via Quasimodo naar het Noaberhuus waar bier werd ingeladen, bier dat Brabant niet haalde. Midden op een kruispunt niet ver van het Turfschip sprong, bij wijze van experiment, iemand uit de nooduitgang. Toen hij het laatste stuk naast de bus rende zag ik in de spiegel dat het Anton was.

We hadden lol. En er werd geklierd. Maar waren we wel goede maten? Zuinig op elkaar? Was er cohesie? Sommige van ons gingen ten onder, aan het nachtleven, aan middelengebruik. Sommigen vielen slaaf aan demon alcohol (Ray Davis).

Meester Luimes had mij, zonder talent voor handvaardigheid, naar de ambachtsschool gestuurd, en pas met de gitaar in mijn hand ben ik een beetje gaan vliegen. En uiteindelijk, ondanks de gevaren, goed geland. Maar er waren er ook die in hoger sferen verdwaalden. Zoals Peter Green, mijn gitaargod, die voorbij Lucy in the Skies with Diamonds de weg kwijtraakte, een uit vuilnisbakken etende zwerver werd, en die, nadat zijn nagels geknipt waren door een vriend die hem uit de goot geplukt had, als uitgebluste schizofreen in De Lantaarn nog een keer Albatross kwam spelen. En die andere god, die zich als genetisch belaste Ier dood-gedronken heeft. (Levertransplantatie, complicatie, dood.)

Het volgen van die goden was niet zonder gevaar.

Maar er was niet alleen schade. Het waren ook lessen. Overlevenslessen.

Nadat Herman een keer niet kwam opdagen voor een optreden in Groenlo besloot ik solo te gaan. Radicaal. Voorbereid door de gitaarlessen van Berry Selles - een begenadigd bluegrass en ragtime gitarist uit Kampen, die mij, als opvolger van Piebe Wester, klassieke etudes moest leren, maar die me vooral de alternerende bas leerde spelen (waarvoor ik hem nog steeds dankbaar ben) - werd ik finger-style gitarist. (En, door afbrokkelende nagels ’s winters noodgedwongen nagelstylist.) Mijn duim werd de bassist. Mijn voet de drummer. Ik werd ‘sologitarist’ in de ruimste zin van het woord. Een ‘lone wolf’.

Maar eerst nog werd ik groepsleider op de Reggeberg, waar ik, met mijn verhalen over de band, Leo Cornelissen (ervaringsdeskundige en collega) op het spoor van het zingen zette. Ik verkocht hem mijn PA. En stelde hem voor aan Ineke, zijn eerste vrouw - een ontmoeting waarover hij zo opgewonden was dat hij mijn vaders auto in het struikgewas stuurde.

En… wat een niet onbelangrijke invloed op de Nijverdalse muziekgeschiedenis heeft gehad: op een dag pakte ik mijn gitaar en, vraag niet hoe, maar die voelde… anders. ‘Dat kun jij niet weten!’ riep Jan, maar ik wist: mijn broertje is in mijn voetspoor getreden.

 

Nadat ik met schriftelijke lessen mijn achterstanden weggewerkt had, kon ik gaan studeren. Ter aanvulling van mijn studiebeurs (een krachtig wapen tegen de kansenongelijkheid) speelde ik, met een ritmeboxje, jazz in een Chinees restaurant. Mijn nieuwe goden: Wes Montgomery en George Benson. Vanuit Groningen nam ik een tijdlang op zondagmiddagen deel aan sessies in Nijverdal, in Studio Pub aan de Rijssensestraat. Gebruikmakend van de opgedane contacten heb ik een muziekfeest georganiseerd in het Hijgend Hert in Groningen met de Nijverdalse muzikanten waarmee ik jamde: Lex Pattiasina, Jimmy Parera, Wim Sohuwat, Peter Deiman, broer Jan, en van hier: Herman Grimme (Jazzpolitie, Pe en Rinus), Marco Kerver (bassist), Hilvert Roorda (The Voice), leden van ‘What-a-gig!’, de Groningse band waar Jan, Lex en Peter in zaten en die ontstaan was uit ‘Bugatti’, de jazzband die Peter en ik opgericht hadden toen hij hier aan het conservatorium kwam studeren. 

Bugatti liep als een… Italiaanse sportwagen. Maar ik had katers. Elke zondag. En op de maandagen waren er examens. Ik was inmiddels derde jaars geneeskunde student, maar omdat we vrijwel elke zaterdag speelden in jazzclubs als de Blue Note (Groningen) zakte ik een paar keer voor mijn ‘interne’. Ik moest kiezen. (De duivel stond voor mij op het kruispunt en wees vorderend naar mijn gitaar.) De muziek (en de drank) eruit, of de ambitie om dokter te worden. Ik ging achter mezelf staan en gaf mezelf een trap onder de kont… Bugatti werd What-a-gig!, en Jan nam mijn plekje over. Met pijn in het hart schoof ik mijn gitaar onder het bed om hem er, pas toen ik mijn eigen praktijk had, weer onder weg te halen. En in te ruilen voor een akoestische.

Als een van zijn eerste klanten kocht ik een oude Martin bij Rudi Bults in Bergentheim. Rudi was getrouwd met Ali Welleweerd, die ooit achter mij (en Anton) in de kerk zat.

Tommy Emanuel werd de nieuwe god. Als fingerstyle-gitarist (zonder ritmebox) speelde ik op het akoestische gitaarfestival in Raalte georganiseerd door Stanley Dijkhuis. Na Tommy. In de tien minuten tussen zijn optreden en dat van mij - terwijl ik even met hem stond te praten - liep de zaal leeg… (Als je ook niet als een Gallagher met veel bombarie het podium op springt…) Mede-organisator Joop Essers had mij voor dat optreden gevraagd. Ik kende hem nog van toen hij in een bandje speelde dat ook in de Kemperhof repeteerde. (Outcast?) Niet iedereen weet dat, maar de eigenaren van de Kemperhof, Bob en George de Scally hebben veel voor de popmuziek in Nijverdal en Hellendoorn betekend. Veel bandjes hebben er geoefend. Hun zoon Tim is een goede drummer, en Queen fan. Hij is tegenwoordig een Facebook-vriend. Evenals Peter Nijman, waarmee ik, een paar jaar na Cross Move (als een Baden Powell) nog ‘Manhã de Carnaval’ van Luiz Bonfa uit de film ‘Orpheo Negro’ heb gespeeld, in Eugeria, Almelo, op uitnodiging van zijn zus Paula. Bij wijze van verzoening.

 

Herman Bruins is inmiddels overleden. Niet lang daarvoor heb ik hem nog eens opgezocht. Zo ook Nico van Harten, die samen met mijn oude vrienden Jelte de Jong en Jan Dubbink (ook roadmanager bij Brushwood) jarenlang een succesvolle autocross-coureur was.

Met Ely en zijn vrouw Jos Sopacua ben ik nog steeds bevriend. Het eerste jaar (terug) in Groningen woonde ik aan de Radijsstraat naast Willem Sopacua, de oudste broer van een paar topgitaristen en bassisten hier in de buurt (George, Jef, Henry). Zij zijn familie van Jos, maar ook van Ely zelf. Zij noemen hem ‘oom Ely’ omdat hij daadwerkelijk hun oom is.

Ook met Jan Harmsen, roadmanager en geluidsman, heb ik weer contact. Hij noemde Brushwood destijds met een scherp oog voor egotripperij de ‘Wimpie Niewold All Stars’, 

en typeerde het uiteenvallen van al die bandjes als de ‘Nederbeathoogmoedwegloopkwaal’. 

Ik bezocht hem onlangs nadat hij een jaar eerder bij mij in Groningen was.

Na dat bezoek liep ik op het kerkhof in Hellendoorn, met mijn broer op weg naar de steen van mijn ouders, en stuitte op de graf van wat ik maar noem ‘de onbekende muzikant’.

 

Het was op een donkere avond, in de Kleine Butjesstraat, het steegje in het centrum van Groningen waar ik destijds woonde, dat een getaande man me tegemoet kwam. Hij keek me achterdochtig aan. Boos. Ik schrok. Keek nog eens goed. Ouder, maar het was onmiskenbaar de jongen waarmee ik fietstochten langs jeugdherbergen had gemaakt, en die me, op de terugweg van Zutphen wees op reclame voor Mercedes benzine… waarna hij, bij wijze van experiment, van zijn fiets in de sloot sprong. Ik noemde zijn naam. Het duurde even voor hij zijn achterdocht liet varen: ’Wim?’ zei hij aarzelend. (Ik liet me in mijn nieuwe leven in Groningen inmiddels Willem noemen, maar Wim was goed.) Hij vertelde me in het kort hoe het allemaal zo gekomen was. Na iets teveel rock’n’roll, alcohol en middelen, mislukte relaties, en schulden gemaakt in de hem kenmerkende impulsiviteit, was hij naar Zuid-Afrika vertrokken. En toen hij als vreemdeling ook daar ‘uitgeprocedeerd’ was was hij naar Groningen gekomen, voor een nieuwe start. Hij verkocht er ‘De Riepe’, de straatkrant, en werd stamgast in ‘De Oude Wacht’, de kroeg van Bob en Wies, patiënten van mij.

Op een dag vertelden zij me dat Anton (die ze graag mochten - ’hij had een goed hart’ vond Wies) ergens op straat gevonden was. Zijn goede hart had het begeven.

Staande voor zijn graf stelde ik me hem voor als door-de-weekse meubelmaker en een zondagse kerkorganist. Had zijn vader gelijk gekregen? (Hij kende zijn zoon.) Hadden we duivelse muziek gespeeld die ons op het slechte pad had gebracht? 

Jan en ik liepen, zoals altijd voor we het kerkhof verlieten, nog even langs het graf van Lex Pattiasina, vriend, en beslist een van de beste bassisten die Nijverdal heeft voortgebracht. (Dat andere verhaal dat ons steeds weer weemoedig maakt.)

Nog geen uur later, toen we een ijsje aten op het Henry Dunantplein, zag ik een bekend gezicht. Dat van Roel de Vries, de schoolvriend die door meester Luimes wel naar de hbs gestuurd was. Hij was huisarts geweest in Friesland, zat daar in dezelfde waarneemgroep als Jur Lamers (de drummer van de Outcast) die toen tegenover hem aan de Grotestraat op de helling van de Nijverdalse berg woonde. Roel nam me ooit mee naar die overbuur-jongen die op verjaardagen goochelvoorstellingen gaf. Toen ik in opleiding kwam bij een huisarts in Winschoten was Jur mijn voorganger, nadat ook hij een technisch vak had ingeruild voor dat van dokter. ‘De wereld is klein.’ Maar zo klein is de wereld niet, dacht ik later. Het is de connectie die haar behapbaar maakt, overzichtelijker, vriendelijker. Het zijn de verbanden.

Roel is hobby-organist. Hij kende Henk Harmsen, de organist waarmee ik ooit, op mijn zwarte Les Paul naast het orgel in de Hervormde kerk in Hellendoorn een door hem op Focus geïnspireerde compositie speelde in de stijl van Jan Akkerman. Een solo die ik verknalde omdat ik zenuwachtig was, niet vanwege die duizend kerkgangers die de kerk die kerst vulden, maar vanwege dat ene meisje ergens midden in het schip. Ook die liefde is nooit wat geworden. Gelukkig maar. Want was dat wel wat geworden was ik bezet geweest, toen ik met Jan en CT Heida, zangeres van What-a-gig!, stond te praten in cafe De Kar en Yfynke voorbij liep. (In feite heb ik veertien jaar gewacht met voldoendes halen…)

Roel kende ook de orgel-spelende zonen van meester Luimes. Een van hen kwam ik tegen in het Orgelpark in Amsterdam, waarvan hij de beheerder was. Yfynke, die klarinettist is, speelde daar een concert met Erwin Wiersinga, de vaste organist van de Martinikerk, en het Concertgebouworkest. Ja het is of de duvel… Sinds mijn opvoeding in de kerk ben ik allergisch voor orgelmuziek, toch heb ik, in de rol van opnametechnicus, een paar cd’s met Erwin opgenomen, waarvan de mooiste met Yfynke. Roel, die wel eens op het Martini-kerkorgel had gespeeld kende zelfs de huisarts-organist waarvan ik het zevenmeter hoge statief had geleend voor de opnames van die cd in een of andere Johanneskerk in Hamburg.

Aan de Radesingel, in het perkje voor het huis van die collega, trof ik kort daarna Erwin Java, die vlakbij ons woont. Onze honden speelden samen toen hij vroeg: ’Ben jij de broer van Jan Niewold?’ Trots zei ik: ’Ja. En Jan is een bekende van Herman Deinum die nu in Nijverdal woont.’ Daarmee was de cirkel van de Cuby-blues dacht ik wel weer rond.

 

Crossroads

 

I went down to the crossroads, I fell down on my knees 2x

Let me play like Willie Brown lord, I’m begging of you please

 

I was standing at the crossroads, trying to get a ride 2x

Stood there in the burning sun, no roof or tree to hide

 

I was still at the crossroads, as the sun went down 2x

Tried to sell my soul to the Devil... but all I got is a frown

 

Then stoped this woman, said ‘never mind your soul

I’ll take your body baby, teach you all you have to know’

Right there at the crossroads, I fell down on my knees

To thank the lord above, that he listened to my pleas

 

(Ten Fingers Blind Willie) (De gitarist waarin al mijn eerder genoemde

idolen bij elkaar komen)

Dank voor uw tijd. Met vriendelijke groet, Willem Niewold

 

https://youtu.be/pwa58Q2kHn8?si=JAKexhth4JsQtjGa

 

Bij Band Boost Retro zetten we steeds één lokale band centraal. Vier weken lang krijgt die band hier alle aandacht met korte verhalen en sfeer. Daarna maken we ruimte voor de volgende band. De bands die geweest zijn krijgen hier een plek in de vorm van een PDF

V.A.T. Vormend en Activerend Theater

Jack Daniels Stars and Stripes Rhythm and Roll Revue