


Welkom in een tijdreis vol waarheid,
verwondering en menselijke kracht
Als de Tijd Spreekt
In deze rubriek nemen we je mee naar momenten die écht gebeurd zijn — verhalen die de geschiedenis kleur geven, mensen die het verschil maakten, en gebeurtenissen die ons gevormd hebben. Elk verhaal is een echo uit het verleden, verteld met respect voor wat was en nieuwsgierigheid naar wat het ons vandaag nog te zeggen heeft.
Of het nu gaat om vergeten helden, kleine dorpsgeheimen, of wereldschokkende gebeurtenissen: hier krijgt het verleden een stem. Want geschiedenis is niet alleen iets dat achter ons ligt — het leeft voort in herinneringen, documenten, en de mensen die het hebben meegemaakt.
De Beltmolen aan de Molenweg – van korenmolen tot assurantiekantoor

Wie vandaag over de Molenweg in Nijverdal inrijdt, ziet een bescheiden maar karakteristiek gebouw dat al decennialang dienstdoet als assurantiekantoor. Voor veel voorbijgangers is het gewoon een pand tussen de andere bebouwing. Maar wie iets ouder is, weet dat dit gebouw een veel langere geschiedenis draagt. Het was ooit de Noetseler Beltmolen, een korenmolen die bijna een eeuw lang het landschap van Noetsele bepaalde.
Een molen op een belt
De molen werd gebouwd in 1845, in een tijd waarin Noetsele nog bestond uit essen, heide en verspreide boerderijen. Het was een typische beltmolen: een molen die op een kunstmatige aarden wal stond, zodat de wieken hoger in de wind konden draaien. Boeren uit de omgeving brachten er hun graan naartoe om te laten malen. De molen speelde daarmee een belangrijke rol in het agrarische leven van de streek.
De familie Konijnenbelt was nauw verbonden met de molen. Hun naam duikt regelmatig op in de molengeschiedenis van Hellendoorn en omgeving.
Het verdwijnen van de wieken
Met de opkomst van mechanische maalderijen en de groei van de industrie in Nijverdal verloor de molen langzaam zijn functie. Rond 1925 verdwenen de wieken. De romp bleef echter staan, als een stille herinnering aan een tijd waarin windkracht nog een onmisbare energiebron was.

Een herkenningspunt in de jeugd
Voor wie in de jaren vijftig en zestig opgroeide in Nijverdal, stond de molen nog stevig in het straatbeeld. Zo herinner ik me zelf hoe ik als jongen op de fiets naar de Boerenbondcoöperatie ging om bloembollen of zaden te kopen. De geur van veevoer, het knarsende grind op het erf, de bedrijvigheid van boeren en tuinders — en daarachter, altijd aanwezig, de molenromp zonder wieken. Een gebouw dat zijn functie verloren had, maar nog altijd een markant punt vormde langs de route.
De foto uit die tijd laat precies zien hoe de molen er toen bij stond: kaal, verweerd, maar onmiskenbaar een molen.
Een nieuw leven als assurantiekantoor
Waar veel oude molens uiteindelijk volledig verdwenen, kreeg de Noetseler Beltmolen een tweede leven. In de jaren die volgden werd de romp verbouwd en kreeg het gebouw een nieuwe bestemming. Het werd een assurantiekantoor, een functie die het tot op de dag van vandaag vervult.

Het is bijzonder hoe een gebouw dat ooit draaide op windkracht, nu een plek is waar mensen binnenlopen voor verzekeringen, advies en administratie. De functie veranderde, maar de plek bleef in gebruik — en daarmee bleef ook een stukje geschiedenis behouden.
Een verdwenen molen die toch gebleven is
De molen zelf is verdwenen, maar zijn verhaal leeft voort in herinneringen, foto’s en in de naam van de straat: Molenweg. Voor wie er langsloopt zonder de geschiedenis te kennen, is het misschien gewoon een oud gebouw. Maar voor wie weet wat er stond, blijft het een tastbare verbinding met het agrarische verleden van Noetsele en met een jeugd waarin je nog langs een molen fietste om bloembollen te kopen.

Verloren verhalen – Een herinnering aan het Henry Dunantpark en de Muziekkoepel
Er was een tijd dat het Henry Dunantpark niet zomaar een stukje groen was, het was het kloppende hart van Nijverdal. Het was geen groot park, geen architectonisch wonder, maar het was een plek waar het leven zich afspeelde. Waar generaties elkaar vonden, waar muziek de avonden vulde, en waar kinderen en tieners hun eerste stappen zetten richting volwassenheid — soms braaf, soms een tikje ondeugend.

Wie er in die jaren rondliep, herinnert zich de koninginnedagen van Advendo alsof ze gisteren waren. Het park stond dan vol mensen, muziek en kleur. De majorettes, de drumband, de optochten — het was een feest dat je voelde in je buik. Het hoorde bij Nijverdal zoals de Regge bij het landschap.
En ja, er waren regels. Je mocht niet door het park fietsen, en de politie hield dat streng in de gaten. Menig jongere is wel eens meegegaan naar het bureau om plechtig te beloven dat het nooit weer zou gebeuren. Het hoorde erbij, een soort rite de passage van het opgroeien in Nijverdal.
Voor velen was het park een tweede thuis. Je hing er urenlang rond met vrienden, languit in het gras, pratend over alles en niets. En natuurlijk werd er stiekem gerookt — alsof niemand het zag. Maar iedereen wist het, en iedereen deed het.
Aan de westkant in dat park stond de muziekkoepel, gebouwd in de jaren vijftig. Een eenvoudige constructie, maar met een enorme betekenis. Hier traden lokale orkesten op, zoals het Harmonie-orkest van de K.S.W. Hier galmde de stem van kapper Bosch door de avondlucht met zijn onvergetelijke vertolking van Buona Sera, Signorina. Voor tieners was het een magische plek: languit in het gras, waar jongens en meisjes elkaar met een schuin oog in de gaten hielden, maar wel voor tien uur thuis — zo ging dat in de jaren zestig/zeventig.

De koepel bracht een bonte stoet aan artiesten en verenigingen samen. De Mongaband, de accordeonclub van Bartje Wieldraayer, de RK-kinderoperette, e.v.v.a. En wie herinnert zich niet de Hellendoornse boerendansers? In hun folkloristische kledij, begeleid door accordeonmuziek, voerden ze dansen uit die je als kind ademloos bekeek. Het was alsof de geschiedenis zelf even tot leven kwam.
Ook moderne muziek vond er zijn weg. Hier stond je eerste band, Sweet d’Buster. Hier trad bandparodist André van Duin op. Hier speelden Dark Water en The Invaders.
Ook Massada de Nederlands-Molukse band uit Huizen opgericht door zanger / percussionist Johnny Manuhutu heeft hier opgetreden. Het was een podium dat alles en iedereen verwelkomde.
Zelfs Sinterklaas koos het park als decor voor zijn intocht. De spanning, de muziek, de geur van winter — het park was het toneel van talloze kinderherinneringen.
En dan waren er de zaterdagen. Muziekoptredens, vrienden, het gras onder je voeten. Even naar bakker Mulder om bier te halen — want zo ging dat toen. Goede bands traden er op, zoals de Stagefright Bluesband en Wim Niewold met zijn band Brushwood. Live muziek was nog iets bijzonders, iets dat je samen beleefde.

We vergeten soms dat het eerste park zelfs aan de overkant lag, waar nu de winkels staan. Daar stond ook het beeld van Naatje, een markant stukje geschiedenis dat inmiddels alleen nog in verhalen voortleeft.
Rond 1980 verdween de muziekkoepel. Afgebroken, weggehaald, opgeofferd aan de vooruitgang. Voor velen voelt het nog steeds als een gemis. Niet alleen omdat de koepel weg is, maar omdat een stukje ziel van Nijverdal daarmee verdween.
Toch leeft het voort — in herinneringen, in verhalen, in de mensen die er hun jeugd doorbrachten. Het Henry Dunantpark was meer dan een park. Het was een ontmoetingsplek, een podium, een speelplaats, een toevluchtsoord. Een plek waar het leven simpel was, waar de gemeenschap centraal stond, en waar je leerde wie je was.
Nostalgie is soms het mooiste wat we hebben. En dit stukje Nijverdal verdient het om herinnerd te worden.
De Kiosk Noetselerberg – Herinneringen aan een verdwenen hart van de Sallandse Heuvelrug
Er was een tijd dat de top van de Nijverdalse Berg niet slechts een uitzichtpunt was, maar het kloppend hart van de natuurbeleving in de regio. Waar nu stilte heerst en de wind vrij spel heeft tussen de dennen, bevond zich ooit een levendige ontmoetingsplek: een houten kiosk met groene luifels, de “Kiosk Noetselerberg”, dat decennialang het decor vormde van ontmoetingen, verhalen en tradities.
Een levendig beginpunt
Vanaf eind jaren ’70 stond het kioskgebouw fier op het hoogste punt van de berg, 62 meter boven NAP. Het was geen hippe koffietent, maar een charmant houten onderkomen met een toonbank vol repen, drop, ijsjes en snacks. De geur van filterkoffie mengde zich met het hars van de dennen, en wandelaars begonnen hier hun tocht met een kopje troost in een kartonnen beker.
In de buurt van het kioskgebouw bevond zich het kantoor van Staatsbosbeheer, een bescheiden gebouw met een grote betekenis. Hier werkten mensen die dit gebied, dat tegenwoordig bekendstaat als de ‘’Sallandse Heuvelrug’’ kenden als hun broekzak. Ze spraken met liefde over korhoenders en zandhagedissen, en wisten precies wanneer de heide in bloei zou staan. Het bezoekerscentrum was laagdrempelig: je kon er terecht voor een praatje, een folder, of gewoon om te vragen of de Toeristenweg weer open was.

Brandtoren
Achter het kantoor van Staatsbosbeheer stond jarenlang een markante brandtoren. In droge zomers speurden boswachters van grote hoogte het landschap af, op zoek naar de eerste tekenen van vuur. De toren waakte als een stille beschermer over de Sallandse Heuvelrug.
Maar tijden veranderen. In 2018 werd de 25 meter hoge toren gesloopt—al jaren overbodig door moderne luchtverkenning met vliegtuigjes. Niet toegankelijk voor publiek en een magneet voor baldadige jongeren, verdween hij uit het landschap.
Bij de sloop stond oud-boswachter Willem Bekkernens, toen 94 jaar, stil bij het moment. “Er verdwijnt een stukje geschiedenis,” sprak hij, zichtbaar geraakt. Voor hem was het meer dan een toren; het was een herinnering aan een leven in dienst van het bos.
Een plek van beweging en ontmoeting
Op zaterdagochtenden was het op de parkeerplaats een komen en gaan van mensen. Wandelclubs uit Hellendoorn en Rijssen, vogelspotters uit Deventer en Ommen, natuurliefhebbers, schoolklassen en fietsverenigingen verzamelden zich hier. De parkeerplaats stond vol auto’s, rugzakken werden omgeslagen, en de stokken van wandelaars tikten ritmisch op het asfalt.
Ook motorclubs en oldtimerverenigingen uit het hele land spraken hier af om gezamenlijk tochten te maken. Op zondagmiddag was het de vaste ontmoetingsplek voor de 27 mc-groep, een lokale radiovereniging. De kiosk draaide op volle toeren: kinderen genoten van raketijsjes, volwassenen van koffie, en de boswachter zwaaide als een burgemeester van het bos.
Verhalen en tradities

De berg was niet alleen een startpunt, maar ook een plek waar verhalen werden gedeeld. Over de wolf die misschien terug was, over reeën bij zonsopgang, en over de oude man die elke ochtend om zes uur zijn ronde liep, weer of geen weer. De kiosk fungeerde als het informele dorpsplein van de natuur.
Een jaarlijks hoogtepunt was de “Heideroemde Dag”, een publieksfeest dat vanaf 1985 tot eind jaren ’90 honderden bezoekers trok. Gidsen van Staatsbosbeheer namen mensen mee langs bloeiende heidevelden, vogelwerkgroepen demonstreerden verrekijkers, en kraampjes boden streekproducten aan zoals heidehoning, boerenkaas en Sallandse lekkernijen. Kinderen konden marshmallows roosteren bij het kampvuur of hun eigen herbariumboekje maken. Lokale folkgroepen zoals ''De Sallandse Zangers'' zorgden voor muzikale omlijsting.
Constructie en exploitatie van de kiosk
Het kioskgebouw was vanaf 1978 een prefab-constructie op een betonnen fundament, met bruin geschilderde houten rabatdelen en een dak van verzinkt staal met bitumenbedekking. Aan de achterzijde was een gemetseld toiletgebouw ingebouwd. De exploitatie lag in handen van lokale ondernemers via een horecaconcessie van Staatsbosbeheer. Vanaf 1965 was Arie Trekop concessiehouder tot 1980. In die periode(tot 1978) ging het om drie gebouwtjes naast elkaar. Een gebouwtje was voor souvenirs, de tweede voor snacks en snoep en vanuit het derde gebouwtje werd IJs verkocht.
In 1980 nam Gerard Huisken uit Holten de concessie over. Twee jaar daarvoor waren de drie gebouwtjes gesloopt en vervangen door de kiosk met aan de achterzijde toiletten voor het publiek. Van uit de kiosk werden snacks, snoep, koffie, thee, ijs en wat al niet meer verkocht. Er werden door Huisken fietsen verhuurd en in het winterseizoen als er sneeuw lag kon je er langlaufskies huren.
Voor de toiletten moest je in de beginjaren een dubbeltje betalen en dat werd later in de jaren 80 een kwartje.

De verschuiving naar rust
Rond 1995 begon de verandering. De parkeerplaats werd te druk, de infrastructuur verouderde, en Staatsbosbeheer besloot te verhuizen. De kiosk werd gesloopt, de parkeerplaats ontmanteld, en de berg kreeg zijn rust terug. Het asfalt verdween, en de natuur kon weer ademen. Sommigen betreurden het verlies van de levendigheid, de geur van koffie, het geroezemoes. Anderen verwelkomden de stilte, de ruimte voor flora en fauna, en de terugkeer van de rust.
Staatsbosbeheer maakte de parkeerplaats bij Hotel Restaurant Dalzicht een stuk groter omdat parkeren boven op de Noetselerberg niet meer mogelijk was. Een slimme ondernemer maakte gretig gebruik van de nieuwe situatie door er op drukke dagen een snackwagen neer te zetten.
In 2001 opende het nieuwe Buitencentrum Sallandse Heuvelrug aan de Nijverdalse kant, op slechts een kilometer afstand van de oude grote parkeerplaats met Kiosk Noetselerberg.
Wat blijft
Hoewel de kiosk verdwenen is, leeft de herinnering voort. In gesprekken, in fotoalbums, in de manier waarop mensen nog steeds zeggen: “Weet je nog, die kiosk bovenop de berg?” Wie goed kijkt, ziet nog sporen: een oude paal, een stukje verharding, een plek waar de grond net iets anders kleurt.
En soms, als de wind goed staat en de zon door de bomen speelt, lijkt het alsof je een kinderstem hoort roepen: “Mag ik een ijsje?”
Bowlingboerderij: het verhaal van een plek die bleef verbinden

In de jaren zeventig, toen televisie nog knisperde uit houten kasten en kinderen op straat hun avonturen beleefden, opende in de Nijverdalse wijk De Blokken een bescheiden snackbar aan de Portlandweg. De naam: ’t Uitzettertje. De naam was een knipoog en eerbetoon aan de enthousiaste eigenaren, Theo en Rietje Uitzetter, een stel met een warm hart en een flinke dosis humor.
Wat begon met friet, een ouderwets “trekmuurtje” en Rietje’s hartelijke lach achter de toonbank, groeide uit tot een buurtinstituut.Geen franje, wel oprechte gastvrijheid. De geur van verse snacks, het geritsel van de automaat, en bovenal Theo’s grappen: van stropdassen afknippen tot eieren bakken op de motorkap van een klant. Het was een plek waar iedereen welkom was, tieners na school, vaders met een biertje, moeders met kooktips, en oma’s voor hun wekelijkse gehaktballen.

Als Theo aan het einde van de avond een biertje mee dronk dan moest hij van Rietje aan de andere kant van de bar zitten!Een kastelein drinkt niet achter de bar was het standpunt bij Theo en Rietje.
Theo hield van zijn gasten, en dat ging verder dan de bar. Wie te diep in het glaasje had gekeken, werd door hem persoonlijk thuisgebracht. Eén klant keerde zelfs terug met de auto, puur om Theo alsnog te bedanken, of dat de bedoeling was, bleef een mysterie 😊.
Maar ’t Uitzettertje was meer dan een snackbar. Het was een sociale smeltkroes, waar gesprekken ontstonden tussen kroketten en berenhappen. En Theo droomde verder. Hij zag in zijn werk een kans om iets blijvends te creëren. Rietje volgde hem, met liefde en vertrouwen.
Die kans kwam in 1977, toen een vervallen boerderij van de familie Nahuis aan de Koersendijk beschikbaar kwam. Waar anderen vooral rot hout en werk zagen, zag Theo potentie. En zo werd de Bowlingboerderij geboren. De oude stal werd omgetoverd tot een bowlingcentrum in boerensfeer. De houten balken bleven, de lage plafonds ook — maar in plaats van koeien kwamen mensen. Het geluid van vallende kegels mengde zich met de geur van gehaktballen en Twentse gezelligheid.
De Bowlingboerderij groeide uit tot een regionaal begrip. Op zondag werd er gefeest aande Twentse Toafel, een rijk buffet vol streekgerechten. Gezinnen bouwden herinneringen, bedrijven vergaderden, vrienden vierden verjaardagen. Vooral veel Twentse bruiloften werden er gehouden. Het was een plek waar het leven gevierd werd.

Aan de overkant ontstond een serene tegenhanger: De Mijmerij. Een intiem restaurant met uitzicht op de weilanden, waar rust, verfijning en bezinning samenkwamen. Theo en Rietje vonden hier uiteindelijk hun thuis, terwijl hun dochter Christel en schoonzoon Bilal hun eigen stempel drukten met sportschool Gym to B. Wonen, werken en welzijn kwamen hier op bijzondere wijze samen, doordrenkt van Twentse nuchterheid en familiegevoel.
Later verhuisde de sportschool onder de naam PLAN naar de Holterweg. De Mijmerij krijgt binnenkort een nieuwe invulling als woonzorglocatie van Long at Home, een bestemming die hopelijk opnieuw de geest van zorg en verbinding zal ademen.
In 2002 droegen Theo en Rietje de Bowlingboerderij over aan Michel en Ira Gieliam. Zij zetten het concept voort en voegden De Hooischuur toe: een pannenkoekenrestaurantdat razendsnel geliefd werd. Hun pannenkoeken met spek en stroop kregen bijna mythische status, net als de zomerse stroopkar voor passerende gasten.

Vanaf 2015 nam de familie van Faassen het stokje over.
Maar in september 2021 sloeg het noodlot toe. Een verwoestende brand legde in enkele uren zowel de Bowlingboerderij als De Hooischuur volledig in de as. De familie van Faassen, op vakantie in Oostenrijk, keerden terug naar Nijverdal met een gebroken hart en moeilijke keuzes.
Ze overwogen een herstart in de horeca, maar kozen uiteindelijk voor een andere weg. Op de plek waar ooit gelachen en gebowld werd, verrijst nu zorgcomplex ’t Koersenhof. Een nieuwe bestemming, maar met dezelfde ziel: warmte, aandacht en gemeenschap maar nu voor mensen met een zorgvraag.
Dit verhaal eindigt niet in rook en puin, maar in wedergeboorte. Het is een geschiedenis van dromen die evolueerden, van families die hun hart volgden, en van een Twentse plek die altijd welkom heette , en dat nog steeds doet.
Aan de Koersendijk wonen Christel Durmaz Uitzetter en haar man Bilal nog altijd met veel plezier. Omringd door herinneringen, doordrenkt van liefde, en met de geest van Theo en Rietje nog voelbaar in elke steen.
Theo Uitzetter is overleden in december 2015. Rietje Uitzetter is overleden in mei 2024.
De Industriële Wedloop rond Hellendoorn: Rivaliteit zonder Ruzie
In de tweede helft van de twintigste eeuw voltrok zich in Twente en Salland een stille strijd. Geen strijd met rechtszaken of harde woorden, maar een wedloop die zich afspeelde in raadszalen, op industrieterreinen en langs de randen van gemeentekaarten. Gemeenten probeerden bedrijven aan te trekken, banen te creëren en hun toekomst veilig te stellen. In dat krachtenveld speelde de gemeente Hellendoorn een opvallende rol.
In de jaren vijftig en zestig was de textielindustrie de trots van de regio. Nijverdal Ten Cate groeide uit tot een van de belangrijkste werkgevers in Oost-Nederland. Jongeren uit Enter, Notter, Holten en zelfs verder weg stapten dagelijks op de fiets richting Nijverdal. De fabrieken rookten, de lonen waren aantrekkelijk en Hellendoorn had de wind in de zeilen. Buurgemeenten keken met gemengde gevoelens toe. In Rijssen en Wierden klonk soms gemor dat Hellendoorn “te veel” arbeiders aantrok, maar de realiteit was simpel: waar werk was, kwamen mensen. En Hellendoorn had werk.

Met de aanleg van industrieterrein ’t Lochter in de jaren zeventig zette Hellendoorn een strategische stap. Het terrein bood ruimte, bereikbaarheid en moderne voorzieningen. Bedrijven uit omliggende gemeenten zagen de voordelen en verhuisden soms de grens over. In Wierden leidde dat tot zorgen over “economische leegloop”, terwijl Rijssen vreesde dat Hellendoorn te dominant werd in de regionale industrie. Maar Hellendoorn had een duidelijke visie: investeren in ruimte, infrastructuur en toekomstbestendige bedrijvigheid. Die strategie werkte, want ’t Lochter groeide uit tot een van de belangrijkste economische motoren van de regio.
Toch werkte de regionale concurrentie twee kanten op. Niet alleen trok Hellendoorn bedrijven aan; soms verloor het ook ondernemers aan buurgemeenten die nét iets meer ruimte, snelheid of specialisatie boden. Zo verhuisden Harmeling Interieurbouw en Renaultgarage Bakker naar Rijssen. Rijssen ontwikkelde zich in de jaren tachtig en negentig razendsnel tot een centrum voor houtbewerking, interieurbouw en Bouw gerelateerde maakindustrie. Voor Harmeling betekende dat een omgeving vol gelijkgestemde bedrijven, leveranciers en vakmensen, waardoor samenwerken en groeien eenvoudiger werd dan in Hellendoorn, waar de industrie breder en minder gespecialiseerd was. Bovendien bood Rijssen meer uitbreidingsruimte en scherpere grondprijzen, gecombineerd met een ondernemerscultuur die bekendstond om korte lijnen en snelle procedures.
Voor Renaultgarage Bakker speelde vooral de bereikbaarheid en zichtbaarheid een grote rol. Rijssen bood locaties langs drukke verkeersaders, met veel meer potentiële klanten dan in Nijverdal. De sterke transportsector in Rijssen zorgde bovendien voor een groter afzetgebied en meer dynamiek. Voor Bakker betekende dat: meer ruimte, meer klanten en betere groeikansen. Het illustreerde hoe bedrijven in die tijd pragmatisch kozen voor de plek waar hun toekomst het meest kansrijk was.
In de jaren negentig en tweeduizend verschoof de aandacht in de regio naar transport en logistiek. De ligging van Hellendoorn – met snelle verbindingen richting de N35 en N36 – maakte de gemeente aantrekkelijk voor transportbedrijven die wilden uitbreiden. Ondernemers uit Vroomshoop en Den Ham kozen soms voor Hellendoorn vanwege betere bereikbaarheid. Twenterand vond dat Hellendoorn “te soepel” was met vergunningen, maar Hellendoorn vond dat het gewoon goed beleid voerde. De vrachtwagens reden waar de ruimte was.
Toen Unilever de ijsfabriek in Hellendoorn uitbreidde – later bekend als Ben & Jerry’s – was dat opnieuw een economische klapper. Werkgelegenheid, investeringen en internationale uitstraling kwamen samen op één plek. In de regio werd met een mengeling van bewondering en jaloezie gekeken naar de groei van de fabriek. Maar ook hier gold: Hellendoorn had geïnvesteerd, voorbereid en kansen benut.
Wat deze geschiedenis bijzonder maakt, is dat de rivaliteit nooit escaleerde. Geen rechtszaken, geen openlijke conflicten. Het was een Twentse vorm van competitie: nuchter, stilzwijgend en met respect voor de buren. Hellendoorn bouwde aan zijn toekomst, soms op de tenen van anderen, maar altijd met het besef dat samenwerking uiteindelijk belangrijker is dan concurrentie. En dat bleek ook zo te zijn. De regio groeide mee, gemeenten leerden van elkaar en de economische basis van Twente en Salland werd sterker.
De industriële wedloop van toen laat zien hoe belangrijk visie, durf en samenwerking zijn. Hellendoorn koos voor vooruitgang en trok daarmee bedrijven en banen aan, terwijl buurgemeenten reageerden, zich aanpasten en hun eigen strategieën ontwikkelden. Het resultaat was een regio die niet door conflicten werd verdeeld, maar door ambitie werd verbonden.

Park De Geuren – Het groene dorpshart dat Hellendoorn al generaties draagt
Wie door het oude centrum van Hellendoorn wandelt, merkt het meteen: Park De Geuren is geen gewone groenstrook. Voor inwoners is het een plek vol herinneringen, muziek, ontmoetingen en verhalen. Een levend stukje dorpsgeschiedenis waar Hellendoorn zich al generaties lang verzamelt.
Een plek met diepe wortels
Op oude foto’s, ansichtkaarten en in lokale archieven duikt de naam De Geuren al vroeg op. Het park maakte jarenlang deel uit van het oorspronkelijke dorpscentrum en fungeerde als vanzelfsprekende ontmoetingsplek. Kinderen speelden er, verenigingen vonden er hun plek en tussen de karakteristieke straten en panden groeide het uit tot een sociaal middelpunt.
De exacte herkomst van de naam is nooit volledig vastgelegd, maar één ding staat vast: De Geuren is al generaties lang verweven met het Hellendoornse dorpsleven.
Het kloppend hart van Hellendoornse evenementen
Voor velen is De Geuren synoniem met Geurenpop, het muziekfestival dat uitgroeide tot een begrip in de regio. Jaarlijks trokken honderden bezoekers naar het park voor livemuziek en een ontspannen sfeer. In 2024 keerde het festival zelfs terug met een driedaagse editie, afgesloten door BeeGees Forever — een duidelijk signaal dat het evenement nog altijd springlevend is.

Maar De Geuren bood ruimte aan veel meer dan alleen Geurenpop. Jarenlang vonden hier ook plaats:
Het was dé plek waar Hellendoorn samenkwam, ongeacht leeftijd of achtergrond.
Onrust door parkeerplaatsen en bouwplannen
In 2026 ontstond er beroering toen er zes parkeerplaatsen in het park werden aangelegd. Hoewel de gemeente benadrukte dat het om een tijdelijke maatregel ging, voelde het voor veel inwoners als een aantasting van een geliefde plek. Organisatoren, de Dorpsraad en omwonenden maakten zich zorgen of het park nog wel voldoende ruimte zou bieden voor grote evenementen.
Die zorgen bleken terecht: Geurenpop moet dit jaar uitwijken naar een andere locatie.
Geurenpop op zoek naar ruimte
Organisator Jasper van der Kolk baalt zichtbaar dat hij opnieuw moet beginnen. Medio februari leek alles rond: de gemeente Hellendoorn en Landschap Overijssel hadden ingestemd met een driedaagse editie op het terrein tussen de Reggeweg en de Regge. Maar enkele omwonenden dachten daar anders over.
Vrees voor verkeerschaos
Van der Kolk: “Buurtbewoners vreesden verkeerschaos, geluidsoverlast en onveilige situaties. Bovendien bleek het terrein beperkt bruikbaar: er was slechts ruimte voor één grote in- en uitgang aan de Reggeweg, maar niet voor noodroutes. Dan kun je de veiligheid niet garanderen — en dat is voor mij essentieel.”
Een optelsom van factoren dwong hem opnieuw met de gemeente in gesprek te gaan. In Hellendoorn bleek geen geschikte locatie meer beschikbaar, maar de Evenementenweide in Nijverdal bood wél uitkomst.
“Ik snap dat dit pijn doet in Hellendoorn, maar het kan helaas niet anders,” aldus Van der Kolk.
Geurenpop verhuist dus hoogstwaarschijnlijk naar de evenementenweide in Nijverdal
Of het festival in de toekomst opnieuw moet verplaatsen, is nog onzeker. Hellendoorn Open Air kon dit jaar nog doorgaan, maar de vraag blijft hoe houdbaar het park is als evenementenlocatie.
Daarbovenop kwamen plannen voor een appartementencomplex in de directe omgeving van het park, wat opnieuw vragen opriep over de toekomst van De Geuren als centrale ontmoetingsplek.
Politieke aandacht en het dorpsgevoel
De situatie leidde tot vragen in de lokale politiek. Een fractie in de gemeenteraad riep het college op om het park te herstellen en de functie als evenementenlocatie te waarborgen. Zij benadrukten dat De Geuren al vele jaren een belangrijke rol speelt in het sociale en culturele leven van het dorp, en dat het bovendien historische waarde heeft als onderdeel van het oude dorpscentrum.
Die boodschap sluit naadloos aan bij wat veel inwoners voelen: De Geuren is niet zomaar een stukje grond, maar een plek met betekenis.
De ziel van De Geuren
Wat De Geuren écht bijzonder maakt, is de emotionele waarde die het voor Hellendoorners heeft. Het is een plek waar herinneringen worden gemaakt:
Generaties raken elkaar hier — het dorpsgevoel wordt er tastbaar.
De toekomst van het park
De grote vraag is hoe De Geuren zijn rol kan behouden in een tijd waarin de druk op ruimte voor woningen en verkeer toeneemt. De uitdaging voor de gemeente is om die belangen te combineren zonder het karakter van het dorpshart te verliezen.
Inwoners en verenigingen hopen dat het park een plek blijft waar cultuur, ontmoeting en geschiedenis samenkomen — en dat toekomstige generaties er net zulke warme herinneringen kunnen opbouwen als de huidige.
De roep om bescherming en herstel klinkt luid. En terecht: een dorp zonder hart is slechts een verzameling huizen. Hellendoorn verdient een levendig centrum — en De Geuren hoort daar onmiskenbaar bij.
De aanleg van Rijksweg 35. De Groote Weg door Noetsele – Hoe Hellendoorn verbonden raakte
In 1829, toen Nederland nog volop in de ban was van stoommachines en vooruitgang, begon in het stille landschap van Overijssel een bescheiden maar ingrijpende verandering. Geen tromgeroffel, geen grootse aankondigingen—alleen zand, klinkers en het geduld van generaties. Zo ontstond de weg die we nu kennen als Rijksweg 35.
Van modder naar mobiliteit
In die tijd waren Hellendoorn en het buurtschap Noetsele nog grotendeels afhankelijk van onverharde paden. De Twentseweg, ten noorden van het dorp, was de enige serieuze route richting Zwolle. Andere wegen slingerden via Rijssen, Holten en Haarle, maar waren ’s zomers stoffig en ’s winters vaak onbegaanbaar. Bruggen over de Regge, zoals bij Schuilenburg, waren kwetsbare schakels in een netwerk dat dringend toe was aan vernieuwing.
Een weg, maar niet door het dorp
Toen bekend werd dat er een nieuwe route zou komen tussen Zwolle en Almelo, was dat groot nieuws. Toch koos men ervoor om Hellendoorn niet als centrale doorgang te gebruiken. Volgens overlevering vroeg de gemeenteraad zelfs om de weg zuidelijker aan te leggen, buiten het dorp om. Of dat verzoek ooit officieel werd vastgelegd, weten we niet—de raadsverslagen van vóór 1839 zijn verloren gegaan. Wat wel zeker is: de weg kwam dwars door het rustige Noetsele te liggen.

Door heuvels en drassige velden
Op 25 september 1829 werd het traject tussen Raalte en Wierden aanbesteed. Het stuk tussen Zwolle en Raalte was al klaar. In Noetsele moest men eerst een heuvelrug bedwingen en daarna door het natte Koeveen, een drassig weiland dat door boeren werd gebruikt. De weg werd hier opgehoogd, en over de Regge kwam een eenvoudige houten brug. Die werd pas in 1898 vervangen door een ophaalbrug, en in 1933 door een betonnen variant. Ook het veen bij Notter werd afgegraven en vervangen door zand, zodat de weg stevig genoeg werd.
Tolpoorten en terughoudendheid
Op 2 juli 1830 volgde de aanbesteding van vijf tolhuizen tussen Raalte en Almelo. Hellendoorn viel op: het was de enige gemeente die geen financiële bijdrage leverde. De nieuwe weg werd kennelijk eerder als last dan als zegen gezien. Toch kwam er een tolhuis aan de oostkant van de Regge, bij Noetsele. Hermanus Heimerikx was de eerste tolgaarder, al werd hij al snel opgevolgd door Berend Hengo. Elk tolhuis moest jaarlijks zo’n duizend gulden opbrengen—een aanzienlijk bedrag in die tijd.
Van zandpad tot levensader
Wat begon als een eenvoudige route door veen en weiland, groeide uit tot een cruciale verbinding voor de regio. De Rijksweg 35, gevormd door de N35 en A35, verbindt tegenwoordig Zwolle met Enschede en zelfs Duitsland. En hoewel Hellendoorn aanvankelijk terughoudend was, bleek de weg van grote waarde voor de ontwikkeling van het dorp en de omliggende gebieden.
Ondergronds verbonden – Het verhaal van de Salland-Twentetunnel
Langs de Grotestraat in Nijverdal klonk jarenlang het constante geluid van auto’s en treinen. De N35 sneed dwars door het centrum, als een drukke verkeersader tussen Twente en Zwolle. Maar waar ooit asfalt en spoor de dorpskern verdeelden, ligt nu een stille kracht onder de grond: de Salland-Twentetunnel.

Van droom tot daad
Al in de jaren ’70 ontstond het idee om de verkeersdrukte en leefbaarheid te verbeteren. In 2008 begon de bouw van wat zou uitgroeien tot een van de meest indrukwekkende infrastructurele projecten van Overijssel. In april 2013 reden de eerste treinen door de spoortunnel, en op 29 augustus 2015 volgden de auto’s via een gloednieuwe autotunnel. Samen vormen ze de eerste gecombineerde spoor- en verkeerstunnel van Nederland.
Een technisch hoogstandje
De tunnel bestaat uit drie buizen: één voor het spoor en twee voor het wegverkeer. Ondergronds is hij 493 meter lang, met daarboven een verdiepte open bak van bijna een kilometer. De constructie werd gebouwd in een open bouwkuip, met duizenden Gewi-palen en onderwaterbeton om opdrijven te voorkomen.
Van knelpunt naar open verbinding.
Waar vroeger lange files stonden en de lucht zwaar was van uitlaatgassen, is de Grotestraat nu autoluw en omgeven door groen. Boven de tunnel ontstond ruimte voor een park, een veiliger gebied rondom het station en een betere verbinding tussen het centrum en de woonwijken. De tunnel vormt niet alleen een doorgang, maar verbindt bereikbaarheid met een prettige leefomgeving
Een idee uit het café Rond de opening ontstond discussie over de naam. Sommigen pleitten ervoor om de tunnel te vernoemen naar Leo ten Brinke, een lokale kroegbaas die al in 1975 het idee van een combinatietunnel had geopperd. Ten Brinke had destijds zelfs eigenhandig tekeningen gemaakt van hoe zo’n tunnel eruit zou kunnen zien—een visie die hij jarenlang met enthousiasme deelde vanuit zijn café. Uiteindelijk koos Rijkswaterstaat voor een neutrale naam: de Salland-Twentetunnel. Ter compensatie werd het park boven op de tunnel wel vernoemd naar Leo ten Brinke.
De Sallandse Heuvelrug & Het Twents Reggedal
De Sallandse Heuvelrug: een landschap gevormd door ijs, wind en mensenhanden.

Lang voordat er sprake was van dorpen als Nijverdal of Holten, lag het oosten van Nederland onder een dikke ijskap. Zo’n 150.000 jaar geleden begon een immense gletsjer zich langzaam over het land te schuiven. Niet met het geweld van een aardbeving, maar met de gestage kracht van een bulldozer van ijs. De bodem werd opzij geduwd, opgestuwd tot een reeks heuvels die vandaag de dag de ruggengraat vormen van wat we nu kennen als de Sallandse Heuvelrug.
Van ijs naar heuvels
Die gletsjer bracht stenen mee uit Scandinavië, verpulverde ze onderweg, en liet een mengsel van zand, grind en keien achter: het zogeheten keileem. Toen het klimaat warmer werd, smolt het ijs en ontstonden er dalen tussen de heuvels. Smeltwater zocht zijn weg naar beneden en sleet diepe geulen uit, zoals de Diepe Hel en de Wolfsslenk. De wind kreeg vrij spel en blies fijne zandlagen over het landschap, waardoor het reliëf verder werd uitgesmeerd.
De eerste bewoners en hun invloed

Na de laatste ijstijd, toen het klimaat milder werd, verschenen de eerste mensen. Ze trokken door het gebied, jaagden, verzamelden en lieten hun sporen achter. Vijfduizend jaar geleden ontstonden de eerste nederzettingen. De heide werd begraasd door schapen, en door overbegrazing raakte de bodem uitgeput. Zandverstuivingen volgden, en pas in de 20e eeuw werd dit beteugeld door bosaanplant.
Van wild landschap naar Nationaal Park
De naam “Sallandse Heuvelrug” is relatief jong, maar het landschap zelf kent een lange geschiedenis. Het gebied werd steeds meer gewaardeerd om zijn natuurlijke schoonheid en ecologische waarde. In de moderne tijd bundelden gemeenten, boeren, natuurorganisaties en bewoners hun krachten. Zo ontstond het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug & Twents Reggedal: een samenwerking waarin natuur, landbouw en recreatie elkaar versterken.
Een landschap vol verhalen
De heuvels hebben namen gekregen: Holterberg, Hellendoornse Berg, Haarlerberg, Koningsbelt. Elk met zijn eigen karakter, hoogte en geschiedenis. De naam Holten zelf verwijst waarschijnlijk naar “holt”, een oud woord voor bos. En dat past: de Holterberg was ooit een uitgestrekt woud, een restant van het oerbos dat Nederland ooit bedekte.
Van wildernis naar wandelkaart
In de vroege 20e eeuw begon het landschap een nieuwe rol te vervullen. De opkomst van het vreemdelingenverkeer—zoals toerisme toen werd genoemd—bracht een nieuwe blik op de natuur. In 1923 werd de VVV Hellendoorn opgericht, gevolgd door Nijverdal in 1926. Er kwamen wandelkaarten, ansichtkaarten en kampeergebouwen. De jeugdherberg Doevenbree opende in 1934 haar deuren aan de voet van de Nijverdalse berg, als uitvalsbasis voor jonge natuurliefhebbers.
De Toeristenweg: een zandpad vol dromen

Op 17 april 1929 werd de , dwars door het heuvelachtige landschap. De grote man achter dit project was gemeentearchitect Boontjes uit Hellendoorn. De weg was aanvankelijk een eenvoudige zandweg, die bij droogte stofwolken veroorzaakte en bij regen veranderde in een modderpoel. Toch trok hij al snel villa’s en vakantieverblijven aan, vooral aan de Holtense kant.
Pas in 1963 werd de weg verhard en officieel geopend als recreatieweg. De vrouw van de Commissaris der Koningin, M.A.Th. de van der Schueren-Helmich, verrichtte de openingshandeling.
Natuur onder druk, recreatie in balans
Met de groei van het autoverkeer en de populariteit van het gebied kwam de natuur onder druk te staan. Het korhoen, ooit een veelvoorkomende soort, werd zeldzaam. Daarom werd de weg in latere jaren deels afgesloten voor vrachtverkeer en woon-werkverkeer. Er kwamen snelheidsbeperkingen en parkeerverboden. Op zonnige dagen of tijdens de bloei van de heide ontstonden zelfs files op de Toeristenweg.
Tegenwoordig is de Sallandse Heuvelrug onderdeel van een ecologische verbindingszone. De weg is in de wintermaanden gesloten en er wordt niet gestrooid, om de kwetsbare vegetatie te beschermen. De Toeristenweg is daarmee niet zomaar een route, maar een symbool van de balans tussen mens en natuur.
Het Twents Reggedal – Waar de rivier verhalen fluistert
In het hart van Twente slingert de Regge als een zilveren draad door het landschap. Geen haast, geen rechte lijnen—alleen kronkels die de tijd lijken te vergeten. Het Reggedal is geen plek die je bezoekt, het is een plek die je beleeft. Hier ademt de aarde rust, en elke bocht in de rivier vertelt een ander verhaal.
Langs de oevers wuiven rietkragen en oude knotwilgen als stille getuigen van eeuwen boerenleven. Vroeger trokken hier schippers met hun zompen, houten platbodems vol turf, graan en verhalen. Nu zie je fietsers, wandelaars en kinderen met laarzen die plassen ontdekken alsof ze schatten zijn.

De dorpen rondom—Hellendoorn, Nijverdal, Enter—zijn als kralen aan een ketting van herinnering. Elk met hun eigen karakter, maar verbonden door de Regge. In de ochtend hangt er vaak een nevel boven het water, alsof het dal zijn geheimen nog even voor zich houdt. Maar wie goed kijkt, ziet sporen van bever, ijsvogel en ree. Het is een landschap dat leeft, dat zich niet laat vangen in een snapshot, maar zich ontvouwt in momenten.
In de zomer kleurt het Reggedal goudgeel van de bloeiende velden, in de herfst ruikt het naar nat blad en houtrook. En in de winter, als de rivier traag onder een dunne ijslaag glijdt, lijkt alles even stil te staan. Maar onder die stilte borrelt het leven, wachtend op een nieuwe lente.
Het Twents Reggedal is geen decor. Het is een medespeler. Een plek waar natuur, cultuur en geschiedenis samenkomen in een fluisterend gesprek tussen mens en landschap. Wie hier loopt, hoort het. Wie hier blijft, begrijpt het.
De Stichting Twents Reggedal zet zich actief in voor het behoud, beheer en de ontwikkeling van het natuurgebied rondom de meanderende Regge. Hun missie is om het landschap, de natuur en de streekeigen historie te beschermen en te versterken, zodat het gebied beleefbaar blijft voor mens, dier en toekomstige generaties.
Daarnaast maakt het Twents Reggedal deel uit van een groter samenwerkingsverband binnen het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug & Twents Reggedal, waarin ruim 18 partners samenwerken aan een toekomstbestendig landschap.
Tekst; Nijverdal Objectief Peter Stevens
Jeugdherberg Nijverdal: Een warm thuis voor jonge reizigers

NIJVERDAL – Wie in de jaren vijftig tot begin jaren tachtig door Nijverdal trok, kende de jeugdherberg aan de rand van de Sallandse Heuvelrug. Niet alleen vanwege de ligging, maar vooral door de mensen die er de scepter zwaaiden: Familie Jongejan, het echtpaar dat van 1953 tot 1981 het gezicht vormde van de herberg.
Onder hun leiding groeide de jeugdherberg uit tot een levendige ontmoetingsplek voor jongeren uit binnen- en buitenland. De sfeer was eenvoudig maar warm, met gedeelde slaapzalen, gezamenlijke maaltijden en avonden waarop werd gezongen, gedanst en gediscussieerd. De herberg fungeerde daarmee als meer dan een overnachtingsplek; het was een plek waar jongeren waarden meekregen, nieuwe vrienden maakten en soms zelfs voor het eerst op eigen benen stonden.
De ligging speelde daarbij een belangrijke rol. Aan de voet van de Sallandse Heuvelrug bood de herberg een ideale uitvalsbasis voor wandelaars en fietsers. Veel gasten kwamen voor de natuur, maar vertrokken met verhalen over de mensen die ze hadden ontmoet.
De jeugdherberg maakte deel uit van het landelijke netwerk van jeugdherbergen, dat in die tijd een belangrijke rol speelde in betaalbaar en sociaal reizen. Hoewel het gebouw inmiddels verdwenen is, blijft de herinnering aan de Nijverdalse herberg springlevend bij oud-gasten en inwoners. Voor velen staat het echtpaar Jongejan symbool voor een tijd waarin gastvrijheid, eenvoud en ontmoeting centraal stonden.
Duivecate: het vergeten landgoed en de tragische geschiedenis van “Doeskotter Fieje”
Wie vandaag door het Doktersbos wandelt, ziet nauwelijks nog sporen van het oude landgoed Duivecate. Toch behoort deze plek tot de oudste en meest tot de verbeelding sprekende locaties van Hellendoorn en Nijverdal. Achter de stilte van het bos schuilt een geschiedenis van adellijke families, verval, angst, dorpsconflicten en uiteindelijk een nooit opgeloste moord.
Een landgoed met middeleeuwse wortels

Duivecate wordt al in 1339 genoemd in de archieven van Rechteren. Oorspronkelijk heette het gebied Duvelskotte, een naam die later door de familie Van Duren werd verzacht tot het vriendelijker klinkende Duivecate. Eeuwenlang bleef het landgoed in handen van de Deventer families Van Duren en Hagedoorn, beide geslachten met meerdere burgemeesters in hun stamboom.
In 1706 kwam Duivecate via een huwelijk in bezit van de familie Hagedoorn, die het ruim een eeuw beheerde. Rond 1806 keerde het landgoed terug naar de Van Durens, met als laatste mannelijke eigenaar Joan Damiaan van Duren. Na zijn overlijden in 1838 bleven zijn weduwe en dochter alleen achter op het afgelegen buitenhuis.
Die dochter was Wilhelmina Margaretha Sophia van Duren, beter bekend als Sophie — of, zoals het volk haar noemde: “Doeskotter Fieje”.
Een moeilijke vrouw in een eenzaam huis
Sophie leidde een bewogen leven. Op jonge leeftijd trouwde ze met rijksontvanger Gideon Leonard van der Wyck, maar het huwelijk liep snel op de klippen. Daarna keerde ze met haar moeder terug naar Duivecate, waar de twee vrouwen steeds meer vereenzaamden.
Uit overgeleverde verhalen komt Sophie naar voren als koppig, eigenzinnig en soms onberekenbaar. Een bekende anekdote vertelt hoe ze, boos omdat ze geen nieuwe jurk kreeg, de pachtgelden van een boer in haar schort schepte en het bos in vluchtte. De munten werden pas decennia later teruggevonden bij het graven van een vijver.
De hondenjuffer
De angst voor inbraken en het isolement op het landgoed maakten Sophie en haar moeder steeds wantrouwiger. Ze verzamelden een grote roedel agressieve honden — volgens sommige bronnen wel veertien — die twintig jaar lang de omgeving onveilig maakten.
Wandelaars, arbeiders, schippers en zelfs kinderen werden regelmatig aangevallen. Burgemeester Campbell kreeg talloze klachten, maar juridisch stonden de dames vaak sterk: veel paden rond Duivecate waren privéterrein.
De spanning tussen de dorpsbewoners en de vrouwen op Duivecate liep steeds verder op. Sophie werd gezien als gierig, wereldvreemd en gevaarlijk — een rijke zonderlinge vrouw die haar honden belangrijker leek te vinden dan mensen.
Het drama rond Jacob Lembeek

Op 12 april 1864 ging het mis. De 14-jarige Jacob Lembeek uit Nijverdal was onderweg naar de dokter in Hellendoorn toen hij op de openbare weg werd aangevallen door twee honden van Sophie. De jongen werd ernstig toegetakeld en overleefde ternauwernood.
Het incident leidde tot grote woede in de gemeenschap. Jacob was een fabriekskind, en in de arbeiderswijk leefde sterk het gevoel dat Sophie al veel te lang haar gang had kunnen gaan. De burgemeester waarschuwde dat de gemoederen zo hoog opliepen dat een volksgericht niet ondenkbaar was.
De moordaanslag
Een maand later, op 18 mei 1864, werd Sophie zelf het slachtoffer. Toen ze ’s avonds vanuit de schuur naar haar huis liep, werd ze van dichtbij neergeschoten. Ze werd in haar mond getroffen door hagel en overleed twee dagen later.
De dader werd nooit gevonden. Er waren vermoedens, geruchten en zelfs een late getuigenverklaring van iemand die beweerde een man met een geweer te hebben gezien. Maar het bleef bij verhalen — de zaak werd nooit opgelost.
Een miljoen in het vuil
Na haar dood werd het huis bewaakt door veldwachter Van Egmond. In het vervallen interieur trof men overal geld aan: in kisten, onder rommel, zelfs onder lagen hondenvuil. Volgens dokter Te Wechel, die later het landgoed kocht, bedroeg de nalatenschap ongeveer één miljoen gulden — een enorm bedrag voor die tijd.
Het oude huis werd afgebroken en vervangen door het latere Huize Duivecate. Het omliggende bos kreeg de naam die we nu nog kennen: het Doktersbos.
Dokter Moquette en de erfenis van Duivecate
Rond 1905 werd dokter Moquette de opvolger van dokter Te Wechel. Hij ging in dezelfde periode wonen op Duivecate.

Zijn band met Duivecate leeft voort: in 2024–2025 kreeg de voormalige oprijlaan officieel de naam Dokter Moquettelaan.
Een verhaal dat blijft hangen
Het verhaal van Duivecate is er één van rijkdom en verval, van isolement en angst, van botsende werelden: de adellijke trots van een oude familie tegenover de groeiende arbeidersgemeenschap van Nijverdal.
En bovenal is het het tragische levensverhaal van Sophie van Duren — de “hondenjuffer”, de “miljoenenjuffer”, en de vrouw die in haar eigen bos werd vermoord.
Meer dan 150 jaar later spreekt haar verhaal nog altijd tot de verbeelding.
De Schaduw van de Vergeldingswapens: V-1 en V-2
Een laatste gok van nazi-Duitsland
In de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog probeerde nazi-Duitsland wanhopig het tij te keren. Terwijl steden onder zware bombardementen lagen, de geallieerden steeds verder oprukten en de nederlaag onafwendbaar leek, klampte Hitler zich vast aan technologische vooruitgang. Zo kwamen de beruchte “Vergeldingswapens” in beeld: de V-1 en V-2 raketten, symbolen van angst en vernietiging.

De V-1: Het dreigende gebrom
In de herfst van 1944 verscheen de V-1, een onbemande vliegende bom die bedoeld was om paniek te zaaien. De eerste exemplaren werden vanaf de Franse kust gelanceerd richting Londen. Het onheilspellende gebrom van de motor maakte de bevolking duidelijk dat er gevaar dreigde; zodra het geluid wegviel, wist men dat de inslag nabij was.
Na de geallieerde landingen in Normandië moesten de Duitsers hun lanceerplaatsen verplaatsen. Nederland werd daardoor een nieuw front. Antwerpen, als cruciale bevoorradingshaven, werd het belangrijkste doelwit. Vanuit onder meer Nijverdal, langs de Bergweg, werden V-1’s afgevuurd richting strategische posities.
De V-2: Dodelijk en onzichtbaar

Waar de V-1 nog hoorbaar en zichtbaar was, bracht de V-2 een veel grotere dreiging. Deze raket was de eerste ballistische raket ooit ingezet en kon binnen enkele minuten zijn doel bereiken. Gelanceerd vanaf mobiele installaties was de V-2 niet te traceren en onmogelijk te onderscheppen.
Ook Hellendoorn speelde hierin een rol: langs de Eelerbergweg vond op 16 november 1944 de eerste lancering plaats. Het SS-Werfer-Abteilung 500, gespecialiseerd in raketaanvallen, voerde de operaties uit. Toch waren de wapens verre van perfect; technische fouten zorgden geregeld voor rampzalige ongelukken.
Angst en tragedie in de regio
Voor de inwoners van Hellendoorn en Nijverdal betekenden de lanceringen voortdurende spanning. Raketten stortten soms voortijdig neer, vaak dicht bij dorpen en boerderijen. Een van de meest aangrijpende gebeurtenissen vond plaats op 4 december 1944. Een V-2, gelanceerd vanaf de Eelerberg, crashte bij Luttenberg. Omstanders verzamelden zich nieuwsgierig rond het wrak, niet beseffend dat de explosieve lading nog kon afgaan. Toen dat gebeurde, kostte het 19 mensen het leven, onder wie de 16-jarige Albert Tijhuis uit Nijverdal.
Het uitgewiste verleden
Toen de geallieerden naderden, vernietigden de Duitsers hun eigen installaties om sporen uit te wissen. De V-1 lanceerplaatsen verdwenen langzaam uit het collectieve geheugen. Pas in 2013 werd de locatie bij Hotel Dalzicht opnieuw ontdekt dankzij een groep onderzoekers en Staatsbosbeheer.
De V-2 lanceerplaatsen waren mobiel en lieten geen tastbare resten achter. Wat overblijft zijn herinneringen, verhalen en het besef dat technologische vooruitgang niet alleen de loop van de geschiedenis kan bepalen, maar ook op gruwelijke wijze levens kan verwoesten.
.jpg?etag=W%2F%22320f0-19812ca3ec8%22&sourceContentType=image%2Fjpeg&ignoreAspectRatio&resize=300%2B129&extract=25%2B8%2B244%2B120&quality=85)
KvK 69052506
BTW NL001270672B34
Whatsapp 06 1722 7140
Email info@nijverdalobjectief.nl
Website www.nijverdalobjectief.nl