Welkom in een tijdreis vol waarheid,

verwondering en menselijke kracht

Als de Tijd Spreekt

In deze rubriek nemen we je mee naar momenten die écht gebeurd zijn — verhalen die de geschiedenis kleur geven, mensen die het verschil maakten, en gebeurtenissen die ons gevormd hebben. Elk verhaal is een echo uit het verleden, verteld met respect voor wat was en nieuwsgierigheid naar wat het ons vandaag nog te zeggen heeft.

Of het nu gaat om vergeten helden, kleine dorpsgeheimen, of wereldschokkende gebeurtenissen: hier krijgt het verleden een stem. Want geschiedenis is niet alleen iets dat achter ons ligt — het leeft voort in herinneringen, documenten, en de mensen die het hebben meegemaakt.

De laatste getuige van het verdwenen Salomonsonpark

Aan de rand van het huidige stationsgebied van Nijverdal staat een boom die je gemakkelijk over het hoofd ziet. Hij is geen sierlijke blikvanger, geen boom die zich opdringt. Eerder een compacte, gehavende oude reus, met takken die door de jaren heen steeds verder zijn teruggesnoeid en een stam die meer dan een eeuw aan wind, regen en zon heeft doorstaan. Juist die bescheidenheid maakt hem bijzonder: deze boom draagt een geschiedenis die dieper wortelt dan vrijwel alles wat hem omringt. Hij stond hier al toen dit gebied nog het Salomonsonpark was, lang voordat het station verhuisde en het landschap veranderde. Terwijl Nijverdal zich telkens opnieuw uitvond, bleef hij staan — zwijgend, maar onverzettelijk.

Zijn verhaal begint bij het ontstaan van het dorp. In 1836 vestigde de Nederlandsche Handel-Maatschappij een textielfabriek aan de Grotestraat, waar al snel een nederzetting omheen groeide. Toen de broers Godfried en Hein Salomonson de fabriek in 1852 overnamen, groeide zij uit tot de Koninklijke Stoomweverij, de eerste stoomweverij van Nederland. De industrie bloeide, het dorp breidde uit, en tegen het einde van de negentiende eeuw liet de directie aan de noordzijde van de Grotestraat een wandelpark aanleggen — een groene tegenhanger voor de steeds drukkere textielomgeving. Waarschijnlijk werd onze boom in die periode geplant, ergens tussen 1895 en 1900, toen het park werd uitgebreid en verfraaid.

In dat park verrees een schaftlokaal voor de arbeiders, precies op de plek waar na de oorlog het parochiehuis en de woning van koster D. van Rhee zouden komen. De muziektent van de K.S.W., die eerder op de hoek van de Weverstraat en de Salomonsonstraat stond, verhuisde naar het park en kwam ongeveer te staan waar later de beddenwinkel van Konijnenbelt zou verschijnen. Een kleine vijver gaf het geheel extra charme. Bij het 25‑jarig bestaan van de N.V. K.S.W. in 1897 werd het park officieel geschonken aan de bevolking.

Het schaftlokaal bleek echter geen blijvend succes. In 1905 werd het voor 17.000 gulden verkocht aan de katholieke gemeenschap, die het gebouw ombouwde tot een kerk. Een jaar later kocht de parochie de grond achter het voormalige schaftlokaal, en in 1909 volgde de grond tot aan de spoorlijn Neede–Hellendoorn. Die spoorlijn, aangelegd in 1910, sneed dwars door het park en gaf het gebied een heel ander karakter. In datzelfde jaar schonk de bevolking een monument ter ere van Godfried Salomonson, dat een plek kreeg bij de muziektent. Van het oorspronkelijke wandelpark bleef slechts een klein plantsoen over, omringd door een ijzeren hek — ongeveer op de plek waar later de winkel van Konijnenbelt zou staan.

De katholieke gemeenschap breidde haar aanwezigheid verder uit. Op 13 juli 1921 werd de nieuwe kerk ingezegend; de oude kerk werd voortaan gebruikt als R.K.-verenigingsgebouw. Naast de kerk verrees een pastorie, beide gebouwen staan er nog steeds. Op 21 november 1923 openden de katholieken hun eigen lagere school: de St. Antoniusschool, ten westen van het voormalige schaftlokaal. Het schoolhoofd, A. Tijhuis, woonde naast het gebouw, tussen de school en het verenigingsgebouw. Vanuit de kerk liep men via de pastorie naar de tuin aan de westkant, en vandaar naar het schoolplein. De bomen die nu nog bij de parkeerplaats staan, maakten ooit deel uit van die pastorietuin — precies het stukje waar onze boom nog altijd staat.

Het oorspronkelijke park was ooit veel groter en strekte zich uit van de plek waar later juwelier Harbers zat tot aan de locatie van de Antoniusschool. Door de aanleg van de spoorlijn en de uitbreiding van katholieke gebouwen bleef er uiteindelijk slechts een bescheiden deel over.

Ondanks alle veranderingen bleef het verkleinde park in de eerste decennia van de twintigste eeuw een geliefde plek. Arbeidersgezinnen wandelden er op zondag, kinderen speelden er, buurtbewoners vonden er rust. De boom stond toen aan de rand van deze groene oase, net buiten het park — op een plek die tegenwoordig nauwelijks nog te herkennen is. Sinds 27 juni 2026 heeft hij gezelschap gekregen van het monument De Textielarbeider, een nieuwe herinnering naast een oude.

In 1936 schonken oud‑Nijverdallers een bank ter gelegenheid van het eeuwfeest van het dorp. Ze werd geplaatst bij Naatje en de muziektent, met bronzen letters AANGEBODEN DOOR OUD NIJVERDALLERS en de jaartallen 1836 en 1936. De gemeente aanvaardde het geschenk in dank, maar na de oorlog verdween de bank spoorloos. Niemand weet waar ze gebleven is. Twee jaar later, in 1938, werd het vernieuwde park officieel overgedragen aan de gemeente Hellendoorn en kreeg het officieel de naam Salomonsonpark, als eerbetoon aan de honderdste geboortedag van Godfried Salomonson.

Door de jaren heen werden nieuwe bomen geplant, die jarenlang in de buurt van onze boom stonden en met hem meeleefden. Toch bleven ze qua omvang en statigheid altijd achter bij de oude reus die in dit verhaal de hoofdrol speelt.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde de sfeer in het gebied ingrijpend. De spoorlijn kreeg een strategische rol, het stationsgebied werd beladen. Hoewel er geen bronnen zijn die specifiek deze boom noemen, stond hij dicht bij een omgeving waar de spanning van de tijd voelbaar was. Hij maakte het allemaal mee — zwijgend, maar aanwezig.

Na de oorlog moderniseerde de textielindustrie verder. In 1957 fuseerde de Koninklijke Stoomweverij met Ten Cate, en Nijverdal bleef groeien. Winkeliers die door bombardementen hun zaak waren kwijtgeraakt, vroegen de bouwcommissie om in het Salomonsonpark te mogen bouwen. Een park vonden ze niet meer nodig; Nijverdal had genoeg natuurschoon. Het oude park moest uiteindelijk wijken voor nieuwe plannen. In 1950 opende bakker Mulder de eerste winkel in de nieuwe winkelgalerij die in het park was gebouwd. Naatje stond toen al in restauratie. Het park verhuisde naar de zuidzijde van de Grotestraat en kreeg de naam Dunantpark. Op die plek ligt nu het Dunantplein, met parkeergarage en appartementen. De boom bleef echter staan — als een van de laatste tastbare herinneringen aan het oorspronkelijke park.

Tot ver in de twintigste eeuw lag het oude station van Nijverdal ongeveer duizend meter oostelijker, bij de kruising van de Grotestraat met de Stationsstraat. Het oorspronkelijke station werd geopend op 1 januari 1881, in 1971 vervangen door een nieuw gebouw van het type Douma, en in 2013 afgebroken. Het huidige station ligt met verdiepte perrons net buiten de Salland–Twentetunnel. Elk perron heeft naast de normale toegang ook een trap naar een nooduitgang op een tweede viaduct.

De boom stond op afstand, maar hoorde dagelijks de treinen voorbijrijden. Toen het spoor steeds meer een barrière vormde, werd besloten tot een ingrijpend project: de spoorverdieping. Tussen 2009 en 2013 werd de Twente–Sallandtunnel aangelegd en verhuisde het station naar zijn huidige locatie — precies ten noorden van waar ooit een deel van het Salomonsonpark lag. Waar het oude station verdween, verrees een nieuw stationsgebied. De boom bleef staan, net buiten het directe bouwgebied, en zag het nieuwe station langzaam vorm krijgen.

Nu staat hij er nog steeds: gesnoeid, doorleefd, maar onverzettelijk. Hij heeft de ontwikkeling van Nijverdal van dichtbij meegemaakt — van de geboorte van de textielindustrie tot de verhuizing van het park, van de oorlogsjaren tot de aanleg van de spoorverdieping, en van het oude station tot het moderne stationsgebied. En nu kijkt hij uit op het nieuwe monument voor de fabrieksarbeider, een eigentijdse herinnering aan het verleden dat hij zelf heeft zien ontstaan. De boom is geen officieel monument, maar vervult die rol wel. Wie langs hem loopt, ziet misschien alleen een boom. Maar wie weet wat hij heeft gezien, herkent een levend stuk geschiedenis — een herinnering die nog altijd wortelvast in Nijverdal staat.

Met dank aan de Historische Kring Hellendoorn Nijverdal

Bethel maakte plaats, maar haar betekenis vond een nieuw thuis in het uitvaartcentrum in het Doktersbos.

Bethel ontstond in een tijd waarin de Wilhelminawijk nog maar net vorm kreeg. In de tweede helft van de jaren twintig lagen de straten open, stonden de huizen in de steigers en werd nagedacht over voorzieningen die het jonge buurtleven moesten dragen. De Hervormde Kerk kocht in 1926 een perceel aan de Oranjestraat voor zevenduizend gulden, met het aanvankelijke plan om zowel een kerk als een jeugdgebouw te bouwen. Gaandeweg werd dat idee bijgesteld: er zou één gebouw komen, een jeugdgebouw met kerkzaal, bedoeld als centrum voor catechisatie, jeugdwerk en samenkomsten.

Op 10 augustus 1928 kwamen bestuurders en aannemers bijeen voor de aanbesteding. De bouw van het catechisatielokaal en de woning voor de godsdienstonderwijzer werd gegund aan H. Schipper en Zn. uit Wierden en de Gebroeders De Heer uit Nijverdal, voor een bedrag van twintigduizend vijfhonderdnegentig gulden. Architect Meijerink uit Zwolle leverde een degelijk, functioneel ontwerp dat precies aansloot bij de ambities van de kerk. Daarmee lag de weg open voor de bouw van Bethel, het Huis Gods aan de Prins Mauritsstraat.

Op vrijdag 6 september 1929 werd Bethel officieel geopend. Een maand later, op zondag 6 oktober, vond de eerste kerkdienst plaats. Het gebouw kreeg meteen een vaste bewoner: godsdienstonderwijzer H. Sels, die er van 1925 tot 1947 woonde en een vertrouwd gezicht werd voor iedereen die Bethel binnenstapte. De bouw was mede mogelijk gemaakt door giften uit de gemeenschap: de directie van de K.S.W. schonk duizend gulden, P. Stam van de Nederlandse Stoomblekerij vijfhonderd gulden. Het waren bijdragen die lieten zien hoe sterk Bethel geworteld was in het Nijverdalse leven.

Door de jaren heen groeide Bethel uit tot een levendig centrum van kerkelijke, maatschappelijke en culturele activiteiten. In de oorlogsjaren werden er toeslagkaarten voor textiel verstrekt, in 1946 vond de oprichtingsvergadering van de lokale Partij van de Arbeid plaats, en datzelfde jaar repeteerde zangkoor Solie er op 18 maart. Op 20 november 1947 konden inwoners zich kosteloos laten inenten tegen pokken.

In 1951 kocht de Nederlandse Hervormde Kerk het pand aan de Dr. Schaepmanstraat 1, dat zou gaan dienen als pastorie. In 1957 kreeg Bethel een nieuw orgel, en in 1960 sprak ds. Stoutjesdijk er voor de Nederlandse Christelijke Vrouwenbond. De Gereformeerde Schoolvereniging hield er ouderavonden en ledenvergaderingen, en talloze predikanten en organisten verzorgden er diensten. De laatste organist, G. Tal, diende van 3 januari 1963 tot 2 januari 1972. Koster G.J. Karkdijk, jarenlang het gezicht van Bethel, nam in 1971 afscheid maar bleef daarna nog rouwdiensten verzorgen. Hij overleed in 1981.

Op 2 januari 1972 werd de laatste kerkdienst gehouden. Daarmee kwam een einde aan ruim vier decennia van religieuze bijeenkomsten en gemeenschapsactiviteiten. Rond 1969/1970 werd Bethel door de Hervormde Kerk afgestoten en verkocht aan de Begrafenisvereniging voor Nijverdal en Omstreken, die het gebouw ombouwde tot mortuarium. De uitvaartvereniging zelf had een lange geschiedenis: opgericht op 1 januari 1926, omgezet naar een stichtingsvorm in 1953, en vanaf eind jaren zestig op zoek naar een toekomstbestendige locatie voor uitvaartzorg.

In 1979 gaf de gemeente aan bereid te zijn het mortuarium te verbouwen en extra grond beschikbaar te stellen voor parkeerruimte, maar de voorkeur ging uit naar volledige verplaatsing. Het mortuarium lag immers midden in het Rooie Dorp en zorgde voor overlast. Na vier jaar overleg werd op 5 april 1983 besloten tot nieuwbouw aan de Meester Ponsteenlaan en de Duivecatelaan. De grond werd verworven van mevrouw J. Wubbelink‑Heuver, afkomstig van de Heuver‑boerderij — een locatie die later bekend zou worden als de Bowlingboerderij. Architect Jorissen uit Rijssen werkte het voorlopig ontwerp uit tot bestektekeningen en bereidde de aanbesteding voor. De financiering kwam tot stand via de verkoop van Bethel aan de gemeente, een eenmalige gemeentelijke bijdrage, een renteloze lening, WIR‑premie, een terugploegregeling voor leerling‑loonkosten en externe financiering.

In januari 1985 begon de bouw van het nieuwe uitvaartcentrum. Het ontwerp was ingetogen en modern, met een karakteristieke dakvorm, een volledig geïsoleerde constructie en een sedumdak waarin zonnepanelen waren opgenomen. Het gebouw werd zorgvuldig ingepast in het Doktersbos, aan de rand van de bebouwing, met een rustgevende tuin die overging in het bos en uitkeek op een vennetje. De ontvangsthal was ruim en licht en leidde naar een aula met plaats voor 220 bezoekers, direct verbonden met de parkachtige tuin. Er was een intieme afscheidsruimte voor kleine gezelschappen, waar nabestaanden in alle rust afscheid konden nemen voordat de overledene werd overgebracht naar de crematie‑ruimte. Wie dat wilde, kon het moment van invoer in de ovenruimte bijwonen. Na afloop bood een sfeervolle koffiekamer met terras ruimte aan ruim 150 gasten. Daarnaast beschikte het uitvaartcentrum over vijf opbaarkamers, die met een eigen sleutel 24 uur per dag toegankelijk waren.

Op 3 september 1986 werd het uitvaartcentrum officieel geopend. Daarmee kreeg Nijverdal een moderne voorziening die aansloot bij de behoeften van de tijd. De stichting wijzigde haar naam in Stichting Uitvaartverzorging voor Nijverdal en Omstreken. Toen cremeren in de regio steeds gebruikelijker werd, besloot het bestuur tot uitbreiding. In 2015 begon de bouw van een crematorium op dezelfde locatie. Op 18 september 2015 werd het opgeleverd, en op 3 november 2015 vond de eerste crematie plaats.

Intussen was Bethel verdwenen uit het straatbeeld. Na de verkoop aan de gemeente werd het gebouw gesloopt en kreeg de locatie een nieuwe bestemming. Aan de Prins Mauritsstraat verrezen zeven rijtjeswoningen; aan de Schaepmanstraat kwam een kavel voor J. Waanders; aan de Oranjestraat drie kavels voor J. Wubbelink‑Heuver, J. ter Avest‑Langkamp en een pastorie voor de Hervormde Kerk. Zo kreeg de plek een nieuw leven, maar de herinnering aan Bethel bleef bestaan in foto’s, verhalen en archieven — als een markant stukje Nijverdalse geschiedenis dat de overgang markeert van een wijkkerk in het Rooie Dorp naar een modern uitvaartcentrum in het Doktersbos.

Met dank aan de Historische Kring Hellendoorn Nijverdal en Stichting Uitvaartverzorging voor Nijverdal en Omstreken

Het VVV kantoor van Nijverdal: moderniteit, trots en toeristische groei

In de jaren zestig waaide er een nieuwe wind door Nederland. Dorpen en kleine steden begonnen zichzelf te presenteren aan de buitenwereld — niet langer alleen als woonplek, maar als bestemming. Ook in Nijverdal ontstond die behoefte om het dorp zichtbaar te maken voor bezoekers. Het VVV kantoor speelde daarin een hoofdrol.

VVV cultuur in de jaren zestig

De VVV’s waren in die tijd veel meer dan informatiepunten. Ze waren het visitekaartje van de gemeenschap. Vrijwilligers, ondernemers en verenigingen werkten samen om hun dorp aantrekkelijk te maken voor toeristen uit binnen en buitenland. Folders, wandelroutes, ansichtkaarten en evenementen vormden de basis van een nieuwe vorm van lokale trots.

In Hellendoorn Nijverdal ging dat gepaard met een groeiende aandacht voor natuur, recreatie en gastvrijheid — thema’s die het gebied tot op de dag van vandaag kenmerken.

Architectuur die vooruit wilde

Het VVV gebouw aan de Paralelweg was een tastbaar symbool van die vooruitgang. De moderne bouwstijl — glas, natuursteen, hout — week af van de traditionele bebouwing in het dorp. Waar oudere panden gesloten en ingetogen waren, koos de VVV voor licht, openheid en zichtbaarheid.

De stenen zuil met de grote letters VVV was niet alleen een herkenningspunt, maar ook een statement: Nijverdal wilde gezien worden.

Binnen lagen de rekken vol met kaarten, routes en folders. Buiten stonden fietsenrekken, ansichtkaartenmolens en een uitnodigende entree. Het gebouw ademde de optimistische wederopbouwgeest van die tijd.

Toeristische groei van Hellendoorn Nijverdal

In dezelfde periode ontwikkelde de regio zich tot een toeristisch knooppunt. De Sallandse Heuvelrug werd ontdekt als wandelgebied, de Regge als recreatieve trekpleister, en evenementen zoals de Tienlandenrit en de Parijse Markt trokken bezoekers van heinde en verre.

De VVV fungeerde als verbinder tussen dorpen, campings, horeca en natuurorganisaties. Wat begon met lokale folders groeide uit tot regionale samenwerking — een vroege vorm van branding avant la lettre.

Joop Engbers: een vertrouwd gezicht

Hoewel het verhaal vooral over de tijdgeest en het gebouw gaat, verdient één naam een plek: Joop Engbers. Hij was jarenlang directeur van de VVV en werd later ook voorzitter van De Zweef. Engbers stond bekend als iemand die mensen wist te verbinden — precies de kwaliteit die de VVV in die jaren nodig had. Zijn aanwezigheid gaf het kantoor een herkenbaar, menselijk gezicht.

Van Paralelweg naar het Huis voor Cultuur en Bestuur

Met het verstrijken van de decennia veranderde ook de rol van de VVV. De toeristische informatievoorziening werd professioneler, digitaler en meer regionaal georganiseerd. Het oude VVV gebouw aan de Paralelweg verloor zijn functie en kreeg later een andere bestemming.

Tegenwoordig is het VVV kantoor van Nijverdal gevestigd in het Huis voor Cultuur en Bestuur, het moderne multifunctionele gebouw aan de Constantijnstraat. Daar vormt het een logische combinatie met bibliotheek, cultuur, publieksbalie en maatschappelijke functies.

Waar het VVV gebouw in de jaren zestig symbool stond voor vooruitgang, staat de huidige locatie voor verbinding, toegankelijkheid en een eigentijdse manier van gastvrijheid. Het is een plek waar inwoners, toeristen en organisaties elkaar vinden — precies in de geest van wat de VVV altijd heeft willen zijn.

Het gemeentehuis dat Hellendoorn voorgoed veranderde

Meer dan een eeuw lang lag het bestuurlijke hart van Hellendoorn in het oude kerkdorp. Aan de Dorpstraat, in het pand dat we nu kennen als het Noaberhuus, werden besluiten genomen die het leven van de inwoners bepaalden. Het was een plek waar de burgemeester nog letterlijk aan huis werkte: vóór 1857 werden de gemeentezaken gewoon in een kamer van zijn eigen woning afgehandeld.

Die kleinschaligheid paste bij het dorp. Maar de wereld veranderde, en Hellendoorn veranderde mee. Nijverdal groeide uit tot de grootste kern van de gemeente. Fabrieken draaiden, nieuwe wijken verrezen, de blik richtte zich vooruit. In 1969 viel het besluit dat het dorp nog lang zou voelen: het gemeentehuis verhuisde naar Nijverdal.

Een feestdag met een scherpe rand

Op 11 september 1969 werd het nieuwe gemeentehuis officieel geopend door de Commissaris van de Koningin, O.F.A.H. van Nispen tot Pannerden. De bevolking had zich van haar beste kant laten zien: er was geld ingezameld voor een carillon, dat sindsdien een vertrouwde klank in het centrum laat horen.

Maar onder de plechtigheid broeide onrust. De jaren zestig waren overal turbulent, en ook in Hellendoorn klonk de stem van jongeren die vonden dat de gemeente te weinig visie had. Ze trokken op 12 september in een lange optocht door Nijverdal, met een kist en een pop die de figuur Jan Salie moest voorstellen — het symbool van bestuurlijke traagheid.

Aanvankelijk verliep de tocht rustig. Totdat de kist met “Jan Salie” in de vijver bij het nieuwe gemeentehuis werd gegooid. De sfeer sloeg om. Op de Grotestraat ging een auto in vlammen op en de politie greep hard in.

Wat een feestelijke dag had moeten zijn, werd een kantelpunt. De gemeente had een nieuw huis, maar de gemeenschap voelde dat er iets was losgemaakt dat niet zomaar zou verdwijnen.

Een gebouw dat steeds opnieuw moest groeien

Hellendoorn bleef groeien. Al na twintig jaar was het raadhuis te klein. In 1989 kwam er een nieuwe vleugel, maar ook die bleek slechts een tussenstap. De gemeente wilde meer: een plek waar bestuur, cultuur en ontmoeting samen zouden komen.

In 2005 begon de gedeeltelijke sloop van het oude gemeentehuis. Er verrees een nieuw gebouw met een moderne voorgevel, waarin de VVV, een nieuw theater en een eigentijdse bibliotheek werden ondergebracht. Theater en bibliotheek gingen samen verder als ZINiN, inmiddels een vertrouwde naam in het culturele leven van de gemeente.

Bij de opening in 2007 kreeg het gebouw een nieuwe naam: Huis voor Cultuur en Bestuur. Het ontwerp van architectenbureau Claus & Kaan werd bekroond met de publieksprijs voor architectuur.

Een plek waar Hellendoorn elkaar vindt

Wie vandaag door het Huis voor Cultuur en Bestuur loopt, ziet een plek die bruist. De hal wordt gebruikt voor exposities, manifestaties en kleinschalige evenementen. Het ZINiN Theater trekt bezoekers uit de hele regio, de bibliotheek is een levendige ontmoetingsplek voor lezers, cursisten en nieuwsgierigen.

Bestuur en cultuur leven er naast elkaar, soms zelfs met elkaar. Het gebouw is uitgegroeid tot een huis waar Hellendoorn elkaar vindt — van raadsleden tot theaterliefhebbers, van kinderen die hun eerste boek lenen tot ouderen die een lezing bijwonen.

Ondertussen verandert het centrum van Nijverdal. Nieuwe appartementen, winkels en moderne architectuur hebben het kulturhus wat uit het zicht gedrukt. Maar wie het weet te vinden, ontdekt dat het nog altijd een plek is waar de gemeente ademt, denkt, leert en samenkomt.

Een huis dat de geschiedenis draagt

Het gemeentehuis van Hellendoorn is nooit zomaar een gebouw geweest. Het is een spiegel van de gemeenschap: van de dorpsrust van Hellendoorn, de industriële kracht van Nijverdal, de onrust van de jaren zestig, de groei van de jaren tachtig en de culturele ambitie van de 21e eeuw.

Elke verbouwing, elke vleugel, elke klank van het carillon vertelt een stukje van die geschiedenis. Het is een huis dat Hellendoorn heeft zien veranderen — en dat Hellendoorn blijft veranderen.

Welkom in een tijdreis vol waarheid,

verwondering en menselijke kracht

Van Begoniastraat tot ’t Lochter — hoe het politiewerk in Nijverdal met de tijd meegroeide

Direct naast het Henri Dunantpark, tussen de Grotestraat en de rustige woonstraten van de Bloemenwijk, stond jarenlang een politiebureau dat precies paste bij het Nijverdal van toen. Het bureau aan de Begoniastraat was overzichtelijk, laagdrempelig en vertrouwd. Agenten kenden elkaar, maar vooral: de inwoners kenden hén. Het was een tijd waarin je zonder aarzeling binnenstapte, waarin een gesprek vaak meer opleverde dan een proces-verbaal, en waarin de politie letterlijk deel uitmaakte van het dagelijks leven.

Maar zoals de gemeente Hellendoorn groeide, groeiden ook de eisen aan het politiewerk. Nieuwe wijken, meer verkeer, een veranderende samenleving — het bureau dat ooit modern was, werd langzaam te klein voor een dorp dat steeds minder dorp werd.

De Begoniastraat — politiewerk in een dorp dat iedereen kende

In de jaren ’70 en ’80 had Nijverdal een politiecultuur die vandaag bijna nostalgisch aandoet. De wijkagent liep of fietste door de straten, kende de jeugd bij naam en wist precies waar het ’s avonds druk werd. Kleine incidenten werden vaak “in goed overleg” opgelost. De politie was zichtbaar bij sportclubs, in de winkelstraat en op scholen.

Het was een tijd waarin de afstand tussen burger en uniform klein was — en waarin de samenleving nog overzichtelijk leek.

Toch veranderde Nederland snel. Ook in Nijverdal. De politie kreeg te maken met meer verkeer, een groeiend uitgaansleven en landelijke reorganisaties die het werk formeler en administratief zwaarder maakten. De jaren ’80 vormden een kantelpunt: het politiewerk werd professioneler, maar ook minder dorps.

Brommers, snelheid en jeugd — een herkenbaar straatbeeld

Wie oude kranten openslaat, ziet één thema steeds terugkomen: jongeren op brommers. Controles op opgevoerde motoren, geluidsoverlast, de helmplicht vanaf 1975 — het hoorde bij het straatbeeld. Veel Nijverdallers herinneren zich de agent die bij de Grotestraat stond te controleren, of de rollenbank waarop je brommer even getest werd.

Grote criminaliteit was er nauwelijks, maar incidenten waren er wel: branden bij bedrijven en boerderijen, verkeersongevallen op de toen nog minder veilige doorgaande wegen, inbraken in winkels en woningen en de eerste signalen van drugsgebruik onder jongeren. Het waren gebeurtenissen die het dorp bezighielden en de politie alert hielden.

De Grotestraat — een nieuw tijdperk in steen gegoten

De verhuizing naar de Grotestraat betekende een grote stap vooruit. Het nieuwe bureau bood ruimte, professionaliteit en mogelijkheden die het oude gebouw simpelweg niet had.

Met drie bouwlagen, een volwaardig cellencomplex, garages voor dienstvoertuigen, ruime parkeergelegenheid en bijna 1.900 vierkante meter aan werkruimte werd het bureau een herkenbaar ankerpunt in het centrum van Nijverdal.

Generaties inwoners kwamen er langs voor aangiftes, vragen, controles of gewoon een gesprek. Het gebouw werd een vertrouwd onderdeel van het straatbeeld — een plek waar veiligheid zichtbaar en tastbaar was.

Het slotakkoord

In 2023 kwam er een einde aan dit hoofdstuk. Het pand werd verkocht en later bestemd voor sloop. Op dezelfde locatie verrijst de komende jaren een wooncomplex met 35 tot 50 appartementen, waaronder woningen voor senioren en zorgbehoevenden.

De plek blijft daarmee verbonden met zorg en gemeenschap, maar in een nieuwe vorm. Geen verlies — eerder een logische doorontwikkeling.

’t Lochter 3 — politiewerk in de moderne tijd

Met de komst van de Nationale Politie in 2013 veranderde de organisatie opnieuw. Het werk werd centraler, digitaler en specialistischer. Het bureau aan de Grotestraat, ooit vooruitstrevend, voldeed niet langer aan de eisen van een moderne, duurzame en toekomstgerichte politieorganisatie.

Daarom verhuisde de politie in 2023 naar een nieuw pand op industrieterrein ’t Lochter 3, aan de Anders Celsiusstraat. Een functionele, goed bereikbare locatie die past bij de schaal en samenwerking van de hedendaagse politie. Hier is ruimte voor moderne werkprocessen, regionale samenwerking en specialistische teams — zonder het lokale karakter uit het oog te verliezen.

Een lijn door de tijd

Van het bescheiden bureau tussen de bloemen aan de Begoniastraat, via het imposante gebouw aan de Grotestraat, tot het moderne onderkomen op ’t Lochter: de geschiedenis van de politie in Nijverdal weerspiegelt de ontwikkeling van de hele gemeente.

Elke verhuizing markeert een nieuwe fase — groei, professionalisering, modernisering — maar één constante blijft overeind: de verbinding met de inwoners van Hellendoorn.

De Beltmolen: verleden dat blijft staan

De meeste mensen die tegenwoordig over de Molenweg rijden, zien slechts een bescheiden, wat eigenzinnig gebouw dat al jaren onderdak biedt aan een assurantiekantoor. Het oogt als een gewoon pand tussen de overige bebouwing, maar wie de geschiedenis kent, weet dat hier ooit een van de markantste punten van Noetsele stond: de Noetseler Beltmolen. Deze korenmolen, gebouwd in 1845, bepaalde bijna een eeuw lang het ritme van het boerenleven in de omgeving.

In die tijd bestond Noetsele nog uit open essen, heidevelden en verspreid liggende boerderijen. Op een kunstmatig opgeworpen aarden wal ving de molen hoog boven het landschap de wind die nodig was om het graan van de boeren te malen. De familie Konijnenbelt speelde daarbij een centrale rol. Hun naam duikt door de hele molengeschiedenis van Hellendoorn op, en het was Lambertus Konijnenbelt die de basis legde voor wat later een herkenningspunt voor generaties zou worden.

Al in 1844 liet Lambertus op de plek waar hij zijn molen wilde realiseren een boerderij bouwen: het Muldershuis. Aan de rand van het erf stonden twee eiken die hij bewust liet staan, alsof hij ze als stille getuigen van zijn plannen beschouwde. Voor de voorgevel plantte hij, geheel volgens de traditie van die tijd, drie leilindes die in de zomermaanden als natuurlijk zonnescherm zouden dienen. Pas na jaren van gesteggel met de overheid kreeg hij in 1845 eindelijk toestemming om zijn molen te bouwen.

Met de komst van mechanische maalderijen en de opkomende industrie in Nijverdal verloor de molen langzaam zijn betekenis. Rond 1925 verdwenen de wieken en bleef alleen de kale, verweerde romp over — een stille herinnering aan een tijd waarin windkracht nog onmisbaar was. Toch bleef die romp in de jaren vijftig en zestig een vertrouwd beeld in het straatleven. Voor wie in die periode opgroeide, hoorde de molen simpelweg bij het dagelijks decor.

Ik herinner me nog hoe ik als jongen op de fiets naar de Boerenbondcoöperatie ging om bloembollen of zaden te kopen. De geur van veevoer, het knarsen van het grind onder de banden, de bedrijvigheid van boeren en tuinders — en daarachter altijd die massieve molenromp zonder wieken. Een gebouw dat zijn oorspronkelijke functie allang kwijt was, maar nog steeds een markant baken vormde langs de route.

Toen de molen ook voor de Boerenbondcoöperatie geen rol meer speelde, kreeg het gebouw een reeks tijdelijke bestemmingen. In de loop der jaren huisvestte het onder meer een dierenwinkel, De Burg, Heuer Bloemen en zelfs een klein horecazaakje waar bezoekers terechtkonden voor koffie en thee. Op foto’s uit die tijd is goed te zien hoe sober en verweerd de molenromp erbij stond — maar altijd herkenbaar als molen. Waar veel oude molens uiteindelijk volledig verdwenen, kreeg de Noetseler Beltmolen een tweede leven. De romp werd verbouwd en kreeg een nieuwe bestemming als assurantiekantoor. Tot op de dag van vandaag stappen mensen er binnen voor verzekeringen, advies en administratie. Het contrast is bijna poëtisch: een gebouw dat ooit draaide op windkracht, dient nu als plek voor gesprekken, papierwerk en dienstverlening. De functie veranderde, maar de plek bleef in gebruik — en daarmee bleef ook een stukje geschiedenis bewaard.

De molen zelf is verdwenen, maar zijn verhaal leeft voort in herinneringen, in oude foto’s en in de naam van de straat: Molenweg. Voor wie er zonder voorkennis langsloopt, is het misschien niet meer dan een oud gebouw. Maar voor wie weet wat hier ooit stond, blijft het een stille verbinding met het agrarische verleden van Noetsele — en met een jeugd waarin je nog langs een molen fietste om bloembollen te kopen.

Station Nijverdal: een spoorlijn vol verhalen

Het station van Nijverdal kent een geschiedenis die bijna net zo gelaagd is als het dorp zelf. Waar vandaag de dag een modern, verdiept station ligt dat naadloos aansluit op de Salland‑Twentetunnel, begon het allemaal in 1881 met een bescheiden maar karakteristiek gebouw langs de nieuwe spoorlijn Zwolle–Almelo. Het heette toen nog Hellendoorn‑Nijverdal en was een opvallende verschijning: een laag middendeel met twee hogere vleugels, waarvan één zelfs dienstdeed als postkantoor. Het spoor bracht bedrijvigheid, mensen en goederen in beweging, en speelde een belangrijke rol in de groei van het jonge textieldorp.

In 1910 veranderde het spoorbeeld opnieuw toen de lokaalspoorweg Neede–Hellendoorn werd geopend. Voor een dorp dat al decennia leunde op de lijn Zwolle–Almelo voelde het alsof er ineens een tweede ader door het landschap werd getrokken. Nijverdal kreeg er een tweede station bij, Nijverdal Zuid, terwijl het oorspronkelijke station werd omgedoopt tot Nijverdal Noord.

Het was een merkwaardige periode waarin het dorp even twee spoorwegen kende, elk met een eigen ritme en publiek. De nieuwe lokaalspoorlijn bracht een belofte van groei: een betere ontsluiting richting Twente en de Achterhoek, nieuwe handel, nieuwe kansen. Maar die belofte bleek kwetsbaar. De lijn liep door dunbevolkt gebied, de exploitatie was kostbaar en de reizigersaantallen bleven achter bij de verwachtingen.

Toch liet de komst van de lokaalspoorweg zijn sporen na. Voor veel inwoners was het een tijd van nieuwsgierigheid en verandering. De bedrijvigheid rond Nijverdal Zuid gaf het zuidelijke deel van het dorp even een eigen dynamiek. Fabrieksarbeiders, scholieren en handelaren maakten gebruik van de nieuwe verbinding, al was het maar voor korte tijd.

In 1935 viel het doek. De kosten waren te hoog, de inkomsten te laag, en de lokaalspoorlijn werd alweer gesloten. Het dorp keerde terug naar één station, en Nijverdal Noord werd weer gewoon ‘Nijverdal’. Het tweede station verdween langzaam uit het straatbeeld en uit het dagelijks leven, alsof het een voetnoot was in een groter verhaal.

Maar wie goed kijkt, ziet dat die korte periode met twee spoorwegen meer was dan een curiositeit. Het markeerde een fase waarin Nijverdal zich naar buiten toe wilde openen, waarin het dorp experimenteerde met nieuwe verbindingen en ambities. De lokaalspoorweg was misschien geen blijver, maar hij maakte wel deel uit van de voortdurende zoektocht naar vooruitgang die het spoor in Nijverdal altijd heeft gekenmerkt.

 

Het oude stationsgebouw uit 1881 bleef nog decennialang het vertrouwde gezicht van het spoor, totdat het in 1971 werd gesloopt. Daarvoor in de plaats kwam een modern Douma‑station, met veel glas en een brede luifel die typerend was voor de architectuur van die tijd. Generaties reizigers stapten er in en uit, van forenzen tot scholieren en wandelaars die de Sallandse Heuvelrug opzochten.

Aan het begin van deze eeuw kwam er opnieuw een grote verandering. De doorstroming in het dorp moest beter, de leefbaarheid moest omhoog en het spoor moest veiliger worden. Zo ontstond het Combiplan Nijverdal, een ambitieus project waarin spoor en weg samen onder het dorp door zouden gaan. Tijdens de bouw werd het spoor tijdelijk geknipt en kreeg Nijverdal zelfs een noodstation: Nijverdal West. Het oude Douma‑station bleef nog even dienstdoen, maar in 2013 was het moment daar: het nieuwe, verdiept aangelegde station werd geopend en het oude gebouw verdween voorgoed.

Het huidige station is licht, overzichtelijk en toekomstgericht. De perrons liggen verdiept in een halfopen tunnel, verbonden door een luchtbrug met liften en trappen. Het is een plek die rust uitstraalt, ondanks de constante beweging van treinen en reizigers. Sinds 2017 wordt de lijn bediend door Keolis, dat met regelmaat en betrouwbaarheid de verbinding vormt tussen Zwolle, Almelo en de rest van de regio.

Zo groeide het station van Nijverdal in ruim anderhalve eeuw mee met het dorp: van een statig en karaktervol stationsgebouw aan de rand van de bloeiende textielindustrie tot een modern knooppunt dat past bij een levendige gemeenschap. Het is een plek waar verhalen samenkomen, waar reizen beginnen en eindigen, en waar de geschiedenis nog altijd voelbaar is, zelfs tussen het glas, het beton en de zachte echo van een vertrekkende trein. 

Verloren verhalen – Een herinnering aan het Henry Dunantpark en de Muziekkoepel

Er was een tijd dat het Henry Dunantpark niet zomaar een stukje groen was, het was het kloppende hart van Nijverdal. Het was geen groot park, geen architectonisch wonder, maar het was een plek waar het leven zich afspeelde. Waar generaties elkaar vonden, waar muziek de avonden vulde, en waar kinderen en tieners hun eerste stappen zetten richting volwassenheid — soms braaf, soms een tikje ondeugend.

Wie er in die jaren rondliep, herinnert zich de koninginnedagen van Advendo alsof ze gisteren waren. Het park stond dan vol mensen, muziek en kleur. De majorettes, de drumband, de optochten — het was een feest dat je voelde in je buik. Het hoorde bij Nijverdal zoals de Regge bij het landschap.

En ja, er waren regels. Je mocht niet door het park fietsen, en de politie hield dat streng in de gaten. Menig jongere is wel eens meegegaan naar het bureau om plechtig te beloven dat het nooit weer zou gebeuren. Het hoorde erbij, een soort rite de passage van het opgroeien in Nijverdal.

Voor velen was het park een tweede thuis. Je hing er urenlang rond met vrienden, languit in het gras, pratend over alles en niets. En natuurlijk werd er stiekem gerookt — alsof niemand het zag. Maar iedereen wist het, en iedereen deed het.

Aan de westkant in dat park stond de muziekkoepel, gebouwd in de jaren vijftig. Een eenvoudige constructie, maar met een enorme betekenis. Hier traden lokale orkesten op, zoals het Harmonie-orkest van de K.S.W. Hier galmde de stem van kapper Bosch door de avondlucht met zijn onvergetelijke vertolking van Buona Sera, Signorina. Voor tieners was het een magische plek: languit in het gras, waar jongens en meisjes elkaar met een schuin oog in de gaten hielden, maar wel voor tien uur thuis — zo ging dat in de jaren zestig/zeventig.

De koepel bracht een bonte stoet aan artiesten en verenigingen samen. De Mongaband, de accordeonclub van Bartje Wieldraayer, de RK-kinderoperette, e.v.v.a. En wie herinnert zich niet de Hellendoornse boerendansers? In hun folkloristische kledij, begeleid door accordeonmuziek, voerden ze dansen uit die je als kind ademloos bekeek. Het was alsof de geschiedenis zelf even tot leven kwam.

Ook moderne muziek vond er zijn weg. Hier stond je eerste band, Sweet d’Buster. Hier trad bandparodist André van Duin op. Hier speelden Dark Water en The Invaders.

Ook Massada de Nederlands-Molukse band uit Huizen opgericht door zanger / percussionist Johnny Manuhutu heeft hier opgetreden. Het was een podium dat alles en iedereen verwelkomde.

Zelfs Sinterklaas koos het park als decor voor zijn intocht. De spanning, de muziek, de geur van winter — het park was het toneel van talloze kinderherinneringen.

En dan waren er de zaterdagen. Muziekoptredens, vrienden, het gras onder je voeten. Even naar bakker Mulder om bier te halen — want zo ging dat toen. Goede bands traden er op, zoals de Stagefright Bluesband en Wim Niewold met zijn band Brushwood. Live muziek was nog iets bijzonders, iets dat je samen beleefde.

We vergeten soms dat het eerste park zelfs aan de overkant lag, waar nu de winkels staan. Daar stond ook het beeld van Naatje, een markant stukje geschiedenis dat inmiddels alleen nog in verhalen voortleeft.

Rond 1980 verdween de muziekkoepel. Afgebroken, weggehaald, opgeofferd aan de vooruitgang. Voor velen voelt het nog steeds als een gemis. Niet alleen omdat de koepel weg is, maar omdat een stukje ziel van Nijverdal daarmee verdween.

Toch leeft het voort — in herinneringen, in verhalen, in de mensen die er hun jeugd doorbrachten. Het Henry Dunantpark was meer dan een park. Het was een ontmoetingsplek, een podium, een speelplaats, een toevluchtsoord. Een plek waar het leven simpel was, waar de gemeenschap centraal stond, en waar je leerde wie je was.

Nostalgie is soms het mooiste wat we hebben. En dit stukje Nijverdal verdient het om herinnerd te worden.

De Kiosk Noetselerberg – Herinneringen aan een verdwenen hart van de Sallandse Heuvelrug

Er was een tijd dat de top van de Nijverdalse Berg niet slechts een uitzichtpunt was, maar het kloppend hart van de natuurbeleving in de regio. Waar nu stilte heerst en de wind vrij spel heeft tussen de dennen, bevond zich ooit een levendige ontmoetingsplek: een houten kiosk met groene luifels, de “Kiosk Noetselerberg”, dat decennialang het decor vormde van ontmoetingen, verhalen en tradities.

Een levendig beginpunt

Vanaf eind jaren ’70 stond het kioskgebouw fier op het hoogste punt van de berg, 62 meter boven NAP. Het was geen hippe koffietent, maar een charmant houten onderkomen met een toonbank vol repen, drop, ijsjes en snacks. De geur van filterkoffie mengde zich met het hars van de dennen, en wandelaars begonnen hier hun tocht met een kopje troost in een kartonnen beker.

In de buurt van het kioskgebouw bevond zich het kantoor van Staatsbosbeheer, een bescheiden gebouw met een grote betekenis. Hier werkten mensen die dit gebied, dat tegenwoordig bekendstaat als  de ‘’Sallandse Heuvelrug’’ kenden als hun broekzak. Ze spraken met liefde over korhoenders en zandhagedissen, en wisten precies wanneer de heide in bloei zou staan. Het bezoekerscentrum was laagdrempelig: je kon er terecht voor een praatje, een folder, of gewoon om te vragen of de Toeristenweg weer open was.

Brandtoren

Achter het kantoor van Staatsbosbeheer stond jarenlang een markante brandtoren. In droge zomers speurden boswachters van grote hoogte het landschap af, op zoek naar de eerste tekenen van vuur. De toren waakte als een stille beschermer over de Sallandse Heuvelrug.

Maar tijden veranderen. In 2018 werd de 25 meter hoge toren gesloopt—al jaren overbodig door moderne luchtverkenning met vliegtuigjes. Niet toegankelijk voor publiek en een magneet voor baldadige jongeren, verdween hij uit het landschap.

Bij de sloop stond oud-boswachter Willem Bekkernens, toen 94 jaar, stil bij het moment. “Er verdwijnt een stukje geschiedenis,” sprak hij, zichtbaar geraakt. Voor hem was het meer dan een toren; het was een herinnering aan een leven in dienst van het bos.

Een plek van beweging en ontmoeting

Op zaterdagochtenden was het op de parkeerplaats een komen en gaan van mensen. Wandelclubs uit Hellendoorn en Rijssen, vogelspotters uit Deventer en Ommen, natuurliefhebbers, schoolklassen en fietsverenigingen verzamelden zich hier. De parkeerplaats stond vol auto’s, rugzakken werden omgeslagen, en de stokken van wandelaars tikten ritmisch op het asfalt.

Ook motorclubs en oldtimerverenigingen uit het hele land spraken hier af om gezamenlijk tochten te maken. Op zondagmiddag was het de vaste ontmoetingsplek voor de 27 mc-groep, een lokale radiovereniging. De kiosk draaide op volle toeren: kinderen genoten van raketijsjes, volwassenen van koffie, en de boswachter zwaaide als een burgemeester van het bos.

Verhalen en tradities

De berg was niet alleen een startpunt, maar ook een plek waar verhalen werden gedeeld. Over de wolf die misschien terug was, over reeën bij zonsopgang, en over de oude man die elke ochtend om zes uur zijn ronde liep, weer of geen weer. De kiosk fungeerde als het informele dorpsplein van de natuur.

Een jaarlijks hoogtepunt was de “Heideroemde Dag”, een publieksfeest dat vanaf 1985 tot eind jaren ’90 honderden bezoekers trok. Gidsen van Staatsbosbeheer namen mensen mee langs bloeiende heidevelden, vogelwerkgroepen demonstreerden verrekijkers, en kraampjes boden streekproducten aan zoals heidehoning, boerenkaas en Sallandse lekkernijen. Kinderen konden marshmallows roosteren bij het kampvuur of hun eigen herbariumboekje maken. Lokale folkgroepen zoals ''De Sallandse Zangers'' zorgden voor muzikale omlijsting.

Constructie en exploitatie van de kiosk

Het kioskgebouw was vanaf 1978 een prefab-constructie op een betonnen fundament, met bruin geschilderde houten rabatdelen en een dak van verzinkt staal met bitumenbedekking. Aan de achterzijde was een gemetseld toiletgebouw ingebouwd. De exploitatie lag in handen van lokale ondernemers via een horecaconcessie van Staatsbosbeheer. Vanaf 1965 was Arie Trekop concessiehouder tot 1980. In die periode(tot 1978) ging het om drie gebouwtjes naast elkaar. Een gebouwtje was voor souvenirs, de tweede voor snacks en snoep en vanuit het derde gebouwtje werd IJs verkocht.

In 1980 nam Gerard Huisken uit Holten de concessie over. Twee jaar daarvoor waren de drie gebouwtjes gesloopt en vervangen door de kiosk met aan de achterzijde toiletten voor het publiek. Van uit de kiosk werden snacks, snoep, koffie, thee, ijs en wat al niet meer verkocht. Er werden door Huisken fietsen verhuurd en in het winterseizoen als er sneeuw lag kon je er langlaufskies  huren.

Voor de toiletten moest je in de beginjaren een dubbeltje betalen en dat werd later in de jaren 80 een kwartje.

De verschuiving naar rust

Rond 1995 begon de verandering. De parkeerplaats werd te druk, de infrastructuur verouderde, en Staatsbosbeheer besloot te verhuizen. De kiosk werd gesloopt, de parkeerplaats ontmanteld, en de berg kreeg zijn rust terug. Het asfalt verdween, en de natuur kon weer ademen. Sommigen betreurden het verlies van de levendigheid, de geur van koffie, het geroezemoes. Anderen verwelkomden de stilte, de ruimte voor flora en fauna, en de terugkeer van de rust.

Staatsbosbeheer maakte de parkeerplaats bij Hotel Restaurant Dalzicht een stuk groter omdat parkeren boven op de Noetselerberg niet meer mogelijk was. Een slimme ondernemer maakte gretig gebruik van de nieuwe situatie door er op drukke dagen een snackwagen neer te zetten.

In 2001 opende het nieuwe Buitencentrum Sallandse Heuvelrug aan de Nijverdalse kant, op slechts een kilometer afstand van de oude grote parkeerplaats met Kiosk Noetselerberg.

Wat blijft

Hoewel de kiosk verdwenen is, leeft de herinnering voort. In gesprekken, in fotoalbums, in de manier waarop mensen nog steeds zeggen: “Weet je nog, die kiosk bovenop de berg?” Wie goed kijkt, ziet nog sporen: een oude paal, een stukje verharding, een plek waar de grond net iets anders kleurt.

En soms, als de wind goed staat en de zon door de bomen speelt, lijkt het alsof je een kinderstem hoort roepen: “Mag ik een ijsje?”

Het Ravijn – de ziel van een Nijverdalse zomer

Waar het allemaal begon

Aan de rand van de Sallandse Heuvelrug, in een uitgegraven deel van het heuvelgebied, ontstond begin jaren vijftig een nieuwe plek voor ontspanning en ontmoeting. Het terrein bestond uit een uitgegraven deel van de Sallandse Heuvelrug, omringd door zand en dennen, waardoor het voelde alsof het zwembad verscholen lag in zijn eigen groene wereld. Op 9 mei 1951 opende hier het nieuwe Natuurbad Het Ravijn, als opvolger van het oudere bad Duivecate, dat na de oorlog niet meer voldeed. De unieke ligging en de open, ruimtelijke sfeer maakten het Ravijn direct tot een geliefde plek.

Een bad dat mensen raakte

Vanaf de eerste zomers groeide Het Ravijn uit tot een ontmoetingsplek waar hele generaties warme herinneringen aan bewaren. En dat mag nadrukkelijk worden gezegd: heel veel bezoekers waren jarenlang enorm gecharmeerd van het zwembad zoals het was. De natuurlijke omgeving, het zand, de beschutte ligging en de ontspannen drukte op warme dagen — het was precies die sfeer die mensen zo koesterden. Voor velen voelde Het Ravijn als een klein vakantieoord binnen de dorpsgrenzen.

Sportieve ambities en groei

In 1961 kreeg Het Ravijn een sportieve impuls met de oprichting van de Zwem- en Poloclub Het Ravijn. De vereniging groeide uit tot een van de meest succesvolle waterpoloclubs van Nederland, met nationale titels en internationale toppers die in Nijverdal hun basis hadden. Ondertussen bleef het zwembad zelf zich ontwikkelen. In 1979 kwam er een overdekt bad, zodat er ook ’s winters gezwommen kon worden. In 1990 volgde een verwarmd instructiebad, ideaal voor zwemlessen en revalidatie.

De charme van het oude Ravijn

Ondanks alle uitbreidingen bleef het buitenbad jarenlang het kloppend hart van de Nijverdalse zomer. Veel inwoners waren juist gehecht aan de oorspronkelijke sfeer: de natuurlijke setting, de zandhellingen, de ligging tussen de bomen en het ontspannen karakter van het terrein. Voor hen was Het Ravijn niet zomaar een zwembad, maar een plek van jeugdherinneringen, eerste duiken, eerste baantjes en eindeloze zomerdagen. Die emotionele waarde bleef bestaan, zelfs toen duidelijk werd dat modernisering onvermijdelijk was.

Een nieuw tijdperk

Rond 2008 begon de bouw van een volledig nieuw sportcomplex. Het oude buitenbad maakte plaats voor moderne voorzieningen, en in 2010 werd het nieuwe Ravijn geopend: een combinatie van zwembad, sporthal en zorgcentrum. Het was een grote stap vooruit in comfort, duurzaamheid en functionaliteit. Tegelijkertijd bleef bij veel inwoners het gevoel bestaan dat er iets unieks verloren was gegaan — precies omdat het oude Ravijn zo geliefd was.

Het Ravijn vandaag

Tegenwoordig is Het Ravijn een veelzijdig sport- en zorgcomplex waar recreatie, topsport en welzijn samenkomen. Er zijn speciale zwemgroepen voor mensen met Parkinson, geheugenproblemen en revalidatiebehoeften. De waterpoloclub behoort nog steeds tot de nationale top. En op zomerse dagen klinkt er nog altijd gelach rond het water — al is de omgeving veranderd.

Een plek die blijft verbinden

Wat constant is gebleven, is de betekenis van Het Ravijn voor Nijverdal. Of je nu terugdenkt aan het natuurbad van vroeger of je voelt je thuis in het moderne complex: Het Ravijn is en blijft een plek die mensen samenbrengt. Een plek waar herinneringen worden gemaakt, waar sporters groeien, en waar de zomer altijd net iets lichter voelt.

De Industriële Wedloop rond Hellendoorn: Rivaliteit zonder Ruzie

In de tweede helft van de twintigste eeuw voltrok zich in Twente en Salland een stille strijd. Geen strijd met rechtszaken of harde woorden, maar een wedloop die zich afspeelde in raadszalen, op industrieterreinen en langs de randen van gemeentekaarten. Gemeenten probeerden bedrijven aan te trekken, banen te creëren en hun toekomst veilig te stellen. In dat krachtenveld speelde de gemeente Hellendoorn een opvallende rol.

In de jaren vijftig en zestig was de textielindustrie de trots van de regio. Nijverdal Ten Cate groeide uit tot een van de belangrijkste werkgevers in Oost-Nederland. Jongeren uit Enter, Notter, Holten en zelfs verder weg stapten dagelijks op de fiets richting Nijverdal. De fabrieken rookten, de lonen waren aantrekkelijk en Hellendoorn had de wind in de zeilen. Buurgemeenten keken met gemengde gevoelens toe. In Rijssen en Wierden klonk soms gemor dat Hellendoorn “te veel” arbeiders aantrok, maar de realiteit was simpel: waar werk was, kwamen mensen. En Hellendoorn had werk.

Met de aanleg van industrieterrein ’t Lochter in de jaren zeventig zette Hellendoorn een strategische stap. Het terrein bood ruimte, bereikbaarheid en moderne voorzieningen. Bedrijven uit omliggende gemeenten zagen de voordelen en verhuisden soms de grens over. In Wierden leidde dat tot zorgen over “economische leegloop”, terwijl Rijssen vreesde dat Hellendoorn te dominant werd in de regionale industrie. Maar Hellendoorn had een duidelijke visie: investeren in ruimte, infrastructuur en toekomstbestendige bedrijvigheid. Die strategie werkte, want ’t Lochter groeide uit tot een van de belangrijkste economische motoren van de regio.

Toch werkte de regionale concurrentie twee kanten op. Niet alleen trok Hellendoorn bedrijven aan; soms verloor het ook ondernemers aan buurgemeenten die nét iets meer ruimte, snelheid of specialisatie boden. Zo verhuisden Harmeling Interieurbouw en Renaultgarage Bakker naar Rijssen. Rijssen ontwikkelde zich in de jaren tachtig en negentig razendsnel tot een centrum voor houtbewerking, interieurbouw en Bouw gerelateerde maakindustrie. Voor Harmeling betekende dat een omgeving vol gelijkgestemde bedrijven, leveranciers en vakmensen, waardoor samenwerken en groeien eenvoudiger werd dan in Hellendoorn, waar de industrie breder en minder gespecialiseerd was. Bovendien bood Rijssen meer uitbreidingsruimte en scherpere grondprijzen, gecombineerd met een ondernemerscultuur die bekendstond om korte lijnen en snelle procedures.

Voor Renaultgarage Bakker speelde vooral de bereikbaarheid en zichtbaarheid een grote rol. Rijssen bood locaties langs drukke verkeersaders, met veel meer potentiële klanten dan in Nijverdal. De sterke transportsector in Rijssen zorgde bovendien voor een groter afzetgebied en meer dynamiek. Voor Bakker betekende dat: meer ruimte, meer klanten en betere groeikansen. Het illustreerde hoe bedrijven in die tijd pragmatisch kozen voor de plek waar hun toekomst het meest kansrijk was.

In de jaren negentig en tweeduizend verschoof de aandacht in de regio naar transport en logistiek. De ligging van Hellendoorn – met snelle verbindingen richting de N35 en N36 – maakte de gemeente aantrekkelijk voor transportbedrijven die wilden uitbreiden. Ondernemers uit Vroomshoop en Den Ham kozen soms voor Hellendoorn vanwege betere bereikbaarheid. Twenterand vond dat Hellendoorn “te soepel” was met vergunningen, maar Hellendoorn vond dat het gewoon goed beleid voerde. De vrachtwagens reden waar de ruimte was.

Toen Unilever de ijsfabriek in Hellendoorn uitbreidde – later bekend als Ben & Jerry’s – was dat opnieuw een economische klapper. Werkgelegenheid, investeringen en internationale uitstraling kwamen samen op één plek. In de regio werd met een mengeling van bewondering en jaloezie gekeken naar de groei van de fabriek. Maar ook hier gold: Hellendoorn had geïnvesteerd, voorbereid en kansen benut.

Wat deze geschiedenis bijzonder maakt, is dat de rivaliteit nooit escaleerde. Geen rechtszaken, geen openlijke conflicten. Het was een Twentse vorm van competitie: nuchter, stilzwijgend en met respect voor de buren. Hellendoorn bouwde aan zijn toekomst, soms op de tenen van anderen, maar altijd met het besef dat samenwerking uiteindelijk belangrijker is dan concurrentie. En dat bleek ook zo te zijn. De regio groeide mee, gemeenten leerden van elkaar en de economische basis van Twente en Salland werd sterker.

De industriële wedloop van toen laat zien hoe belangrijk visie, durf en samenwerking zijn. Hellendoorn koos voor vooruitgang en trok daarmee bedrijven en banen aan, terwijl buurgemeenten reageerden, zich aanpasten en hun eigen strategieën ontwikkelden. Het resultaat was een regio die niet door conflicten werd verdeeld, maar door ambitie werd verbonden.

Park De Geuren – Het groene dorpshart dat Hellendoorn al generaties draagt

Wie door het oude centrum van Hellendoorn wandelt, merkt het meteen: Park De Geuren is geen gewone groenstrook. Voor inwoners is het een plek vol herinneringen, muziek, ontmoetingen en verhalen. Een levend stukje dorpsgeschiedenis waar Hellendoorn zich al generaties lang verzamelt.

Een plek met diepe wortels

Op oude foto’s, ansichtkaarten en in lokale archieven duikt de naam De Geuren al vroeg op. Het park maakte jarenlang deel uit van het oorspronkelijke dorpscentrum en fungeerde als vanzelfsprekende ontmoetingsplek. Kinderen speelden er, verenigingen vonden er hun plek en tussen de karakteristieke straten en panden groeide het uit tot een sociaal middelpunt.

De exacte herkomst van de naam is nooit volledig vastgelegd, maar één ding staat vast: De Geuren is al generaties lang verweven met het Hellendoornse dorpsleven.

Het kloppend hart van Hellendoornse evenementen

Voor velen is De Geuren synoniem met Geurenpop, het muziekfestival dat uitgroeide tot een begrip in de regio. Jaarlijks trokken honderden bezoekers naar het park voor livemuziek en een ontspannen sfeer. In 2024 keerde het festival zelfs terug met een driedaagse editie, afgesloten door BeeGees Forever — een duidelijk signaal dat het evenement nog altijd springlevend is.

Maar De Geuren bood ruimte aan veel meer dan alleen Geurenpop. Jarenlang vonden hier ook plaats:

  • optredens van de Hellendoornse Harmonie
  • De Eschlanderkapel 
  • Hellendoorn Open Air
  • dorpsfeesten, markten en culturele activiteiten

Het was dé plek waar Hellendoorn samenkwam, ongeacht leeftijd of achtergrond.

Onrust door parkeerplaatsen en bouwplannen

In 2026 ontstond er beroering toen er zes parkeerplaatsen in het park werden aangelegd. Hoewel de gemeente benadrukte dat het om een tijdelijke maatregel ging, voelde het voor veel inwoners als een aantasting van een geliefde plek. Organisatoren, de Dorpsraad en omwonenden maakten zich zorgen of het park nog wel voldoende ruimte zou bieden voor grote evenementen.

Die zorgen bleken terecht: Geurenpop moet dit jaar uitwijken naar een andere locatie.

Geurenpop verhuist dus in 2026 naar de evenementenweide in Nijverdal

Of het festival in de toekomst opnieuw moet verplaatsen, is nog onzeker. Hellendoorn Open Air kon dit jaar nog doorgaan, maar de vraag blijft hoe houdbaar het park is als evenementenlocatie.

Daarbovenop kwamen plannen voor een appartementencomplex in de directe omgeving van het park, wat opnieuw vragen opriep over de toekomst van De Geuren als centrale ontmoetingsplek.

Politieke aandacht en het dorpsgevoel

De situatie leidde tot vragen in de lokale politiek. Een fractie in de gemeenteraad riep het college op om het park te herstellen en de functie als evenementenlocatie te waarborgen. Zij benadrukten dat De Geuren al vele jaren een belangrijke rol speelt in het sociale en culturele leven van het dorp, en dat het bovendien historische waarde heeft als onderdeel van het oude dorpscentrum.

Die boodschap sluit naadloos aan bij wat veel inwoners voelen: De Geuren is niet zomaar een stukje grond, maar een plek met betekenis.

De ziel van De Geuren

Wat De Geuren écht bijzonder maakt, is de emotionele waarde die het voor Hellendoorners heeft. Het is een plek waar herinneringen worden gemaakt:

  • de eerste keer naar Geurenpop
  • zomeravonden met muziek van de Harmonie
  • kinderen die spelen onder de oude bomen
  • spontane ontmoetingen tussen dorpsgenoten

Generaties raken elkaar hier — het dorpsgevoel wordt er tastbaar.

De toekomst van het park

De grote vraag is hoe De Geuren zijn rol kan behouden in een tijd waarin de druk op ruimte voor woningen en verkeer toeneemt. De uitdaging voor de gemeente is om die belangen te combineren zonder het karakter van het dorpshart te verliezen.

Inwoners en verenigingen hopen dat het park een plek blijft waar cultuur, ontmoeting en geschiedenis samenkomen — en dat toekomstige generaties er net zulke warme herinneringen kunnen opbouwen als de huidige.

De roep om bescherming en herstel klinkt luid. En terecht: een dorp zonder hart is slechts een verzameling huizen. Hellendoorn verdient een levendig centrum — en De Geuren hoort daar onmiskenbaar bij.

De aanleg van Rijksweg 35. De Groote Weg door Noetsele – Hoe Hellendoorn verbonden raakte

In 1829, toen Nederland nog volop in de ban was van stoommachines en vooruitgang, begon in het stille landschap van Overijssel een bescheiden maar ingrijpende verandering. Geen tromgeroffel, geen grootse aankondigingen—alleen zand, klinkers en het geduld van generaties. Zo ontstond de weg die we nu kennen als Rijksweg 35.

Van modder naar mobiliteit

In die tijd waren Hellendoorn en het buurtschap Noetsele nog grotendeels afhankelijk van onverharde paden. De Twentseweg, ten noorden van het dorp, was de enige serieuze route richting Zwolle. Andere wegen slingerden via Rijssen, Holten en Haarle, maar waren ’s zomers stoffig en ’s winters vaak onbegaanbaar. Bruggen over de Regge, zoals bij Schuilenburg, waren kwetsbare schakels in een netwerk dat dringend toe was aan vernieuwing.

Een weg, maar niet door het dorp

Toen bekend werd dat er een nieuwe route zou komen tussen Zwolle en Almelo, was dat groot nieuws. Toch koos men ervoor om Hellendoorn niet als centrale doorgang te gebruiken. Volgens overlevering vroeg de gemeenteraad zelfs om de weg zuidelijker aan te leggen, buiten het dorp om. Of dat verzoek ooit officieel werd vastgelegd, weten we niet—de raadsverslagen van vóór 1839 zijn verloren gegaan. Wat wel zeker is: de weg kwam dwars door het rustige Noetsele te liggen.

Door heuvels en drassige velden

Op 25 september 1829 werd het traject tussen Raalte en Wierden aanbesteed. Het stuk tussen Zwolle en Raalte was al klaar. In Noetsele moest men eerst een heuvelrug bedwingen en daarna door het natte Koeveen, een drassig weiland dat door boeren werd gebruikt. De weg werd hier opgehoogd, en over de Regge kwam een eenvoudige houten brug. Die werd pas in 1898 vervangen door een ophaalbrug, en in 1933 door een betonnen variant. Ook het veen bij Notter werd afgegraven en vervangen door zand, zodat de weg stevig genoeg werd.

Tolpoorten en terughoudendheid

Op 2 juli 1830 volgde de aanbesteding van vijf tolhuizen tussen Raalte en Almelo. Hellendoorn viel op: het was de enige gemeente die geen financiële bijdrage leverde. De nieuwe weg werd kennelijk eerder als last dan als zegen gezien. Toch kwam er een tolhuis aan de oostkant van de Regge, bij Noetsele. Hermanus Heimerikx was de eerste tolgaarder, al werd hij al snel opgevolgd door Berend Hengo. Elk tolhuis moest jaarlijks zo’n duizend gulden opbrengen—een aanzienlijk bedrag in die tijd.

Van zandpad tot levensader

Wat begon als een eenvoudige route door veen en weiland, groeide uit tot een cruciale verbinding voor de regio. De Rijksweg 35, gevormd door de N35 en A35, verbindt tegenwoordig Zwolle met Enschede en zelfs Duitsland. En hoewel Hellendoorn aanvankelijk terughoudend was, bleek de weg van grote waarde voor de ontwikkeling van het dorp en de omliggende gebieden.

Ondergronds verbonden – Het verhaal van de Salland-Twentetunnel

Langs de Grotestraat in Nijverdal klonk jarenlang het constante geluid van auto’s en treinen. De N35 sneed dwars door het centrum, als een drukke verkeersader tussen Twente en Zwolle. Maar waar ooit asfalt en spoor de dorpskern verdeelden, ligt nu een stille kracht onder de grond: de Salland-Twentetunnel.

Van droom tot daad

Al in de jaren ’70 ontstond het idee om de verkeersdrukte en leefbaarheid te verbeteren. In 2008 begon de bouw van wat zou uitgroeien tot een van de meest indrukwekkende infrastructurele projecten van Overijssel. In april 2013 reden de eerste treinen door de spoortunnel, en op 29 augustus 2015 volgden de auto’s via een gloednieuwe autotunnel. Samen vormen ze de eerste gecombineerde spoor- en verkeerstunnel van Nederland.

Een technisch hoogstandje

De tunnel bestaat uit drie buizen: één voor het spoor en twee voor het wegverkeer. Ondergronds is hij 493 meter lang, met daarboven een verdiepte open bak van bijna een kilometer. De constructie werd gebouwd in een open bouwkuip, met duizenden Gewi-palen en onderwaterbeton om opdrijven te voorkomen.

Van knelpunt naar open verbinding.

Waar vroeger lange files stonden en de lucht zwaar was van uitlaatgassen, is de Grotestraat nu autoluw en omgeven door groen. Boven de tunnel ontstond ruimte voor een park, een veiliger gebied rondom het station en een betere verbinding tussen het centrum en de woonwijken. De tunnel vormt niet alleen een doorgang, maar verbindt bereikbaarheid met een prettige leefomgeving

Een idee uit het café Rond de opening ontstond discussie over de naam. Sommigen pleitten ervoor om de tunnel te vernoemen naar Leo ten Brinke, een lokale kroegbaas die al in 1975 het idee van een combinatietunnel had geopperd. Ten Brinke had destijds zelfs eigenhandig tekeningen gemaakt van hoe zo’n tunnel eruit zou kunnen zien—een visie die hij jarenlang met enthousiasme deelde vanuit zijn café. Uiteindelijk koos Rijkswaterstaat voor een neutrale naam: de Salland-Twentetunnel. Ter compensatie werd het park boven op de tunnel wel vernoemd naar Leo ten Brinke.

De Sallandse Heuvelrug & Het Twents Reggedal

De Sallandse Heuvelrug: een landschap gevormd door ijs, wind en mensenhanden.

Lang voordat er sprake was van dorpen als Nijverdal of Holten, lag het oosten van Nederland onder een dikke ijskap. Zo’n 150.000 jaar geleden begon een immense gletsjer zich langzaam over het land te schuiven. Niet met het geweld van een aardbeving, maar met de gestage kracht van een bulldozer van ijs. De bodem werd opzij geduwd, opgestuwd tot een reeks heuvels die vandaag de dag de ruggengraat vormen van wat we nu kennen als de Sallandse Heuvelrug.

Van ijs naar heuvels

Die gletsjer bracht stenen mee uit Scandinavië, verpulverde ze onderweg, en liet een mengsel van zand, grind en keien achter: het zogeheten keileem. Toen het klimaat warmer werd, smolt het ijs en ontstonden er dalen tussen de heuvels. Smeltwater zocht zijn weg naar beneden en sleet diepe geulen uit, zoals de Diepe Hel en de Wolfsslenk. De wind kreeg vrij spel en blies fijne zandlagen over het landschap, waardoor het reliëf verder werd uitgesmeerd.

De eerste bewoners en hun invloed

Na de laatste ijstijd, toen het klimaat milder werd, verschenen de eerste mensen. Ze trokken door het gebied, jaagden, verzamelden en lieten hun sporen achter. Vijfduizend jaar geleden ontstonden de eerste nederzettingen. De heide werd begraasd door schapen, en door overbegrazing raakte de bodem uitgeput. Zandverstuivingen volgden, en pas in de 20e eeuw werd dit beteugeld door bosaanplant.

Van wild landschap naar Nationaal Park

De naam “Sallandse Heuvelrug” is relatief jong, maar het landschap zelf kent een lange geschiedenis. Het gebied werd steeds meer gewaardeerd om zijn natuurlijke schoonheid en ecologische waarde. In de moderne tijd bundelden gemeenten, boeren, natuurorganisaties en bewoners hun krachten. Zo ontstond het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug & Twents Reggedal: een samenwerking waarin natuur, landbouw en recreatie elkaar versterken.

Een landschap vol verhalen

De heuvels hebben namen gekregen: Holterberg, Hellendoornse Berg, Haarlerberg, Koningsbelt. Elk met zijn eigen karakter, hoogte en geschiedenis. De naam Holten zelf verwijst waarschijnlijk naar “holt”, een oud woord voor bos. En dat past: de Holterberg was ooit een uitgestrekt woud, een restant van het oerbos dat Nederland ooit bedekte.

Van wildernis naar wandelkaart

In de vroege 20e eeuw begon het landschap een nieuwe rol te vervullen. De opkomst van het vreemdelingenverkeer—zoals toerisme toen werd genoemd—bracht een nieuwe blik op de natuur. In 1923 werd de VVV Hellendoorn opgericht, gevolgd door Nijverdal in 1926. Er kwamen wandelkaarten, ansichtkaarten en kampeergebouwen. De jeugdherberg Doevenbree opende in 1934 haar deuren aan de voet van de Nijverdalse berg, als uitvalsbasis voor jonge natuurliefhebbers.

De Toeristenweg: een zandpad vol dromen

Op 17 april 1929 werd de , dwars door het heuvelachtige landschap. De grote man achter dit project was gemeentearchitect Boontjes uit Hellendoorn. De weg was aanvankelijk een eenvoudige zandweg, die bij droogte stofwolken veroorzaakte en bij regen veranderde in een modderpoel. Toch trok hij al snel villa’s en vakantieverblijven aan, vooral aan de Holtense kant.

Pas in 1963 werd de weg verhard en officieel geopend als recreatieweg. De vrouw van de Commissaris der Koningin, M.A.Th. de van der Schueren-Helmich, verrichtte de openingshandeling.

Natuur onder druk, recreatie in balans

Met de groei van het autoverkeer en de populariteit van het gebied kwam de natuur onder druk te staan. Het korhoen, ooit een veelvoorkomende soort, werd zeldzaam. Daarom werd de weg in latere jaren deels afgesloten voor vrachtverkeer en woon-werkverkeer. Er kwamen snelheidsbeperkingen en parkeerverboden. Op zonnige dagen of tijdens de bloei van de heide ontstonden zelfs files op de Toeristenweg.

Tegenwoordig is de Sallandse Heuvelrug onderdeel van een ecologische verbindingszone. De weg is in de wintermaanden gesloten en er wordt niet gestrooid, om de kwetsbare vegetatie te beschermen. De Toeristenweg is daarmee niet zomaar een route, maar een symbool van de balans tussen mens en natuur.

Het Twents Reggedal – Waar de rivier verhalen fluistert

In het hart van Twente slingert de Regge als een zilveren draad door het landschap. Geen haast, geen rechte lijnen—alleen kronkels die de tijd lijken te vergeten. Het Reggedal is geen plek die je bezoekt, het is een plek die je beleeft. Hier ademt de aarde rust, en elke bocht in de rivier vertelt een ander verhaal.

Langs de oevers wuiven rietkragen en oude knotwilgen als stille getuigen van eeuwen boerenleven. Vroeger trokken hier schippers met hun zompen, houten platbodems vol turf, graan en verhalen. Nu zie je fietsers, wandelaars en kinderen met laarzen die plassen ontdekken alsof ze schatten zijn.

De dorpen rondom—Hellendoorn, Nijverdal, Enter—zijn als kralen aan een ketting van herinnering. Elk met hun eigen karakter, maar verbonden door de Regge. In de ochtend hangt er vaak een nevel boven het water, alsof het dal zijn geheimen nog even voor zich houdt. Maar wie goed kijkt, ziet sporen van bever, ijsvogel en ree. Het is een landschap dat leeft, dat zich niet laat vangen in een snapshot, maar zich ontvouwt in momenten.

In de zomer kleurt het Reggedal goudgeel van de bloeiende velden, in de herfst ruikt het naar nat blad en houtrook. En in de winter, als de rivier traag onder een dunne ijslaag glijdt, lijkt alles even stil te staan. Maar onder die stilte borrelt het leven, wachtend op een nieuwe lente.

Het Twents Reggedal is geen decor. Het is een medespeler. Een plek waar natuur, cultuur en geschiedenis samenkomen in een fluisterend gesprek tussen mens en landschap. Wie hier loopt, hoort het. Wie hier blijft, begrijpt het.

De Stichting Twents Reggedal zet zich actief in voor het behoud, beheer en de ontwikkeling van het natuurgebied rondom de meanderende Regge. Hun missie is om het landschap, de natuur en de streekeigen historie te beschermen en te versterken, zodat het gebied beleefbaar blijft voor mens, dier en toekomstige generaties.

Daarnaast maakt het Twents Reggedal deel uit van een groter samenwerkingsverband binnen het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug & Twents Reggedal, waarin ruim 18 partners samenwerken aan een toekomstbestendig landschap.

Tekst; Nijverdal Objectief Peter Stevens

Jeugdherberg Nijverdal: Een warm thuis voor jonge reizigers

NIJVERDAL – Wie in de jaren vijftig tot begin jaren tachtig door Nijverdal trok, kende de jeugdherberg aan de rand van de Sallandse Heuvelrug. Niet alleen vanwege de ligging, maar vooral door de mensen die er de scepter zwaaiden: Familie Jongejan, het echtpaar dat van 1953 tot 1981 het gezicht vormde van de herberg.

Onder hun leiding groeide de jeugdherberg uit tot een levendige ontmoetingsplek voor jongeren uit binnen- en buitenland. De sfeer was eenvoudig maar warm, met gedeelde slaapzalen, gezamenlijke maaltijden en avonden waarop werd gezongen, gedanst en gediscussieerd. De herberg fungeerde daarmee als meer dan een overnachtingsplek; het was een plek waar jongeren waarden meekregen, nieuwe vrienden maakten en soms zelfs voor het eerst op eigen benen stonden.

De ligging speelde daarbij een belangrijke rol. Aan de voet van de Sallandse Heuvelrug bood de herberg een ideale uitvalsbasis voor wandelaars en fietsers. Veel gasten kwamen voor de natuur, maar vertrokken met verhalen over de mensen die ze hadden ontmoet.

De jeugdherberg maakte deel uit van het landelijke netwerk van jeugdherbergen, dat in die tijd een belangrijke rol speelde in betaalbaar en sociaal reizen. Hoewel het gebouw inmiddels verdwenen is, blijft de herinnering aan de Nijverdalse herberg springlevend bij oud-gasten en inwoners. Voor velen staat het echtpaar Jongejan symbool voor een tijd waarin gastvrijheid, eenvoud en ontmoeting centraal stonden.

Duivecate: het vergeten landgoed en de tragische geschiedenis van “Doeskotter Fieje”

Wie vandaag door het Doktersbos wandelt, ziet nauwelijks nog sporen van het oude landgoed Duivecate. Toch behoort deze plek tot de oudste en meest tot de verbeelding sprekende locaties van Hellendoorn en Nijverdal. Achter de stilte van het bos schuilt een geschiedenis van adellijke families, verval, angst, dorpsconflicten en uiteindelijk een nooit opgeloste moord.

Een landgoed met middeleeuwse wortels

Duivecate wordt al in 1339 genoemd in de archieven van Rechteren. Oorspronkelijk heette het gebied Duvelskotte, een naam die later door de familie Van Duren werd verzacht tot het vriendelijker klinkende Duivecate. Eeuwenlang bleef het landgoed in handen van de Deventer families Van Duren en Hagedoorn, beide geslachten met meerdere burgemeesters in hun stamboom.

In 1706 kwam Duivecate via een huwelijk in bezit van de familie Hagedoorn, die het ruim een eeuw beheerde. Rond 1806 keerde het landgoed terug naar de Van Durens, met als laatste mannelijke eigenaar Joan Damiaan van Duren. Na zijn overlijden in 1838 bleven zijn weduwe en dochter alleen achter op het afgelegen buitenhuis.

Die dochter was Wilhelmina Margaretha Sophia van Duren, beter bekend als Sophie — of, zoals het volk haar noemde: “Doeskotter Fieje”.

Een moeilijke vrouw in een eenzaam huis

Sophie leidde een bewogen leven. Op jonge leeftijd trouwde ze met rijksontvanger Gideon Leonard van der Wyck, maar het huwelijk liep snel op de klippen. Daarna keerde ze met haar moeder terug naar Duivecate, waar de twee vrouwen steeds meer vereenzaamden.

Uit overgeleverde verhalen komt Sophie naar voren als koppig, eigenzinnig en soms onberekenbaar. Een bekende anekdote vertelt hoe ze, boos omdat ze geen nieuwe jurk kreeg, de pachtgelden van een boer in haar schort schepte en het bos in vluchtte. De munten werden pas decennia later teruggevonden bij het graven van een vijver.

De hondenjuffer

De angst voor inbraken en het isolement op het landgoed maakten Sophie en haar moeder steeds wantrouwiger. Ze verzamelden een grote roedel agressieve honden — volgens sommige bronnen wel veertien — die twintig jaar lang de omgeving onveilig maakten.

Wandelaars, arbeiders, schippers en zelfs kinderen werden regelmatig aangevallen. Burgemeester Campbell kreeg talloze klachten, maar juridisch stonden de dames vaak sterk: veel paden rond Duivecate waren privéterrein.

De spanning tussen de dorpsbewoners en de vrouwen op Duivecate liep steeds verder op. Sophie werd gezien als gierig, wereldvreemd en gevaarlijk — een rijke zonderlinge vrouw die haar honden belangrijker leek te vinden dan mensen.

Het drama rond Jacob Lembeek

Op 12 april 1864 ging het mis. De 14-jarige Jacob Lembeek uit Nijverdal was onderweg naar de dokter in Hellendoorn toen hij op de openbare weg werd aangevallen door twee honden van Sophie. De jongen werd ernstig toegetakeld en overleefde ternauwernood.

Het incident leidde tot grote woede in de gemeenschap. Jacob was een fabriekskind, en in de arbeiderswijk leefde sterk het gevoel dat Sophie al veel te lang haar gang had kunnen gaan. De burgemeester waarschuwde dat de gemoederen zo hoog opliepen dat een volksgericht niet ondenkbaar was.

De moordaanslag

Een maand later, op 18 mei 1864, werd Sophie zelf het slachtoffer. Toen ze ’s avonds vanuit de schuur naar haar huis liep, werd ze van dichtbij neergeschoten. Ze werd in haar mond getroffen door hagel en overleed twee dagen later.

De dader werd nooit gevonden. Er waren vermoedens, geruchten en zelfs een late getuigenverklaring van iemand die beweerde een man met een geweer te hebben gezien. Maar het bleef bij verhalen — de zaak werd nooit opgelost.

Een miljoen in het vuil

Na haar dood werd het huis bewaakt door veldwachter Van Egmond. In het vervallen interieur trof men overal geld aan: in kisten, onder rommel, zelfs onder lagen hondenvuil. Volgens dokter Te Wechel, die later het landgoed kocht, bedroeg de nalatenschap ongeveer één miljoen gulden — een enorm bedrag voor die tijd.

Het oude huis werd afgebroken en vervangen door het latere Huize Duivecate. Het omliggende bos kreeg de naam die we nu nog kennen: het Doktersbos.

Dokter Moquette en de erfenis van Duivecate

Rond 1905 werd dokter Moquette de opvolger van dokter Te Wechel. Hij ging in dezelfde periode wonen op Duivecate.

  • Hij woonde jarenlang in Huize Duivecate, aan de oprijlaan die in de volksmond al snel het Laantje van Moquette werd genoemd.
  • Hij overleed in 1931. Zijn populariteit blijkt uit het feit dat al een jaar later een monument voor hem werd opgericht door “dankbare patiënten en vrienden”, op de hoek van de Van Limburg Stirumstraat en de Oranjestraat.
  • Het bosgebied rond de dokterswoning wordt nog altijd het Doktersbos genoemd.

Zijn band met Duivecate leeft voort: in 2024–2025 kreeg de voormalige oprijlaan officieel de naam Dokter Moquettelaan.

Een verhaal dat blijft hangen

Het verhaal van Duivecate is er één van rijkdom en verval, van isolement en angst, van botsende werelden: de adellijke trots van een oude familie tegenover de groeiende arbeidersgemeenschap van Nijverdal.

En bovenal is het het tragische levensverhaal van Sophie van Duren — de “hondenjuffer”, de “miljoenenjuffer”, en de vrouw die in haar eigen bos werd vermoord.

Meer dan 150 jaar later spreekt haar verhaal nog altijd tot de verbeelding.

De Schaduw van de Vergeldingswapens: V-1 en V-2

Een laatste gok van nazi-Duitsland

In de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog probeerde nazi-Duitsland wanhopig het tij te keren. Terwijl steden onder zware bombardementen lagen, de geallieerden steeds verder oprukten en de nederlaag onafwendbaar leek, klampte Hitler zich vast aan technologische vooruitgang. Zo kwamen de beruchte “Vergeldingswapens” in beeld: de V-1 en V-2 raketten, symbolen van angst en vernietiging.

De V-1: Het dreigende gebrom

In de herfst van 1944 verscheen de V-1, een onbemande vliegende bom die bedoeld was om paniek te zaaien. De eerste exemplaren werden vanaf de Franse kust gelanceerd richting Londen. Het onheilspellende gebrom van de motor maakte de bevolking duidelijk dat er gevaar dreigde; zodra het geluid wegviel, wist men dat de inslag nabij was.

Na de geallieerde landingen in Normandië moesten de Duitsers hun lanceerplaatsen verplaatsen. Nederland werd daardoor een nieuw front. Antwerpen, als cruciale bevoorradingshaven, werd het belangrijkste doelwit. Vanuit onder meer Nijverdal, langs de Bergweg, werden V-1’s afgevuurd richting strategische posities.

De V-2: Dodelijk en onzichtbaar

Waar de V-1 nog hoorbaar en zichtbaar was, bracht de V-2 een veel grotere dreiging. Deze raket was de eerste ballistische raket ooit ingezet en kon binnen enkele minuten zijn doel bereiken. Gelanceerd vanaf mobiele installaties was de V-2 niet te traceren en onmogelijk te onderscheppen.

Ook Hellendoorn speelde hierin een rol: langs de Eelerbergweg vond op 16 november 1944 de eerste lancering plaats. Het SS-Werfer-Abteilung 500, gespecialiseerd in raketaanvallen, voerde de operaties uit. Toch waren de wapens verre van perfect; technische fouten zorgden geregeld voor rampzalige ongelukken.

Angst en tragedie in de regio

Voor de inwoners van Hellendoorn en Nijverdal betekenden de lanceringen voortdurende spanning. Raketten stortten soms voortijdig neer, vaak dicht bij dorpen en boerderijen. Een van de meest aangrijpende gebeurtenissen vond plaats op 4 december 1944. Een V-2, gelanceerd vanaf de Eelerberg, crashte bij Luttenberg. Omstanders verzamelden zich nieuwsgierig rond het wrak, niet beseffend dat de explosieve lading nog kon afgaan. Toen dat gebeurde, kostte het 19 mensen het leven, onder wie de 16-jarige Albert Tijhuis uit Nijverdal.

Het uitgewiste verleden

Toen de geallieerden naderden, vernietigden de Duitsers hun eigen installaties om sporen uit te wissen. De V-1 lanceerplaatsen verdwenen langzaam uit het collectieve geheugen. Pas in 2013 werd de locatie bij Hotel Dalzicht opnieuw ontdekt dankzij een groep onderzoekers en Staatsbosbeheer.

De V-2 lanceerplaatsen waren mobiel en lieten geen tastbare resten achter. Wat overblijft zijn herinneringen, verhalen en het besef dat technologische vooruitgang niet alleen de loop van de geschiedenis kan bepalen, maar ook op gruwelijke wijze levens kan verwoesten.